ECLI:NL:RBROT:2026:8270

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/3587
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 2.4 Regeling dierlijke productenArt. 3 Verordening 853/2004Art. 8:72 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boetebesluit wegens onvoldoende bewijs tijdige waarschuwing Wet dieren

De zaak betreft een bestuurlijke boete van €2.500,- opgelegd aan Pigarné B.V. wegens overtreding van de Wet dieren, waarbij niet was voorkomen dat niet-goedgekeurde biggenkarkassen in aanraking kwamen met andere karkassen. De boete is gebaseerd op een rapport van de NVWA van 2 mei 2024 en eerdere waarschuwingen.

Eiseres betwist de boete en voert aan dat de tweede schriftelijke waarschuwing van 21 augustus 2023 niet tijdig is ontvangen, wat een vereiste is volgens het interventiebeleid voordat een boete kan worden opgelegd. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze waarschuwing daadwerkelijk en tijdig is verzonden, mede omdat geen verzendadministratie of bewijs van verzending is overgelegd.

De rechtbank concludeert dat de boete daarom niet rechtmatig is opgelegd en vernietigt het bestreden besluit. De boete wordt herroepen en komt te vervallen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De boete wordt vernietigd en herroepen wegens onvoldoende bewijs van tijdige verzending van de tweede waarschuwing.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3587

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

Pigarné B.V., uit Lichtenvoorde, eiseres

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. S.M. Geerding).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de bestuurlijke boete die verweerder met het besluit van 15 november 2024 (het boetebesluit) aan eiseres heeft opgelegd voor overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met die boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres tijdig een schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.
2.1.
Met het boetebesluit heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 2.500,-. In het bestreden besluit van 1 april 2025 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en heeft verweerder de boete gehandhaafd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft daarop gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook is verschenen [naam], coördinerend specialistisch inspecteur dierenwelzijn bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 2 mei 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA (het rapport). Op grond daarvan heeft verweerder vastgesteld dat eiseres voorafgaande aan de postmortem keuring niet heeft voorkomen dat nog niet goedgekeurde biggenkarkassen in aanraking zijn gekomen met andere biggenkarkassen. Dit betreft volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling dierlijke producten en artikel 3, eerste lid, en Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 13 onder b, van Verordening 853/2004. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 2.500,-.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres voert in beroep onder meer aan dat de boete mede is gegrond op een tweetal waarschuwingen, maar aan die waarschuwingen ontbrak een rechtsmiddelenclausule en het onderliggend dossier. Daardoor kan de boete volgens eiseres niet steunen op deze eerdere waarschuwingen. Daarbij komt dat een van de waarschuwingen is gedagtekend 21 augustus 2023, terwijl onderhavige boete is gebaseerd op feiten die zich op 23 augustus 2023 hebben afgespeeld en niet aannemelijk is dat de waarschuwing eiseres op dat moment al had bereikt. De rechtbank begrijpt dit betoog van eiseres aldus dat zij stelt de waarschuwing van 21 augustus 2023 niet, althans niet tijdig te hebben ontvangen, zodat verweerder niet bevoegd zou zijn eiseres voor de onderhavige overtreding een boete op te leggen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
4.2.
Volgens het Specifieke interventiebeleid [1] van verweerder wordt overtreding van artikel 3, eerste lid, in samenhang met bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 13 onder b, van Verordening 853/2004 aangemerkt als een middelzware overtreding, waarvoor eerst na een herhaalde waarschuwing een boete wordt opgelegd. Dat betekent dus dat aan eiseres binnen de terugkijktermijn van twee jaar [2] twee waarschuwingen moeten zijn gegeven voor soortgelijke overtredingen.
4.3.
Niet in geschil is dat eiseres een op 27 december 2022 gedateerde schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen. Ter zitting heeft verweerder erkend dat eiseres ten aanzien van de schriftelijke waarschuwing van 21 augustus 2023 heeft gesteld dat zij deze niet voorafgaand aan de geconstateerde overtreding had ontvangen. Het is, gelet hierop, aan verweerder om aannemelijk te maken dat de waarschuwing destijds (tijdig) is verzonden. De hoogste bestuursrechters hanteren als uitgangspunt dat als een besluit niet aangetekend wordt verzonden, het bestuursorgaan (in dit geval de minister) aannemelijk moet maken dat het besluit is verzonden. [3] Het bestuursorgaan kan daarbij in eerste instantie volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres, omdat per post verzonden stukken normaal gesproken de volgende dag worden bezorgd. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Als het bestuursorgaan de verzending aannemelijk heeft gemaakt, is het aan de geadresseerde (in dit geval de onderneming) om feiten naar voren te brengen op grond waarvan de ontvangst van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
4.4.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat schriftelijke waarschuwingen in de regel op de dag van dagtekening per gewone post worden verzonden. Hoewel de waarschuwing is gedateerd op 21 augustus 2023 en daarop het adres is vermeld van de rechtsvoorganger van eiseres, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarschuwing daadwerkelijk op 21 augustus 2023 is verzonden. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven niet te beschikken over een verzendadministratie en heeft verder ook geen andere stukken overgelegd waarmee de verzending van de waarschuwing op 21 augustus 2023 aannemelijk kan worden gemaakt. Gelet hierop kan onvoldoende worden vastgesteld of de waarschuwing ook diezelfde dag aan PostNL is aangeboden en vervolgens aan eiseres is verzonden. Niet valt uit te sluiten dat de waarschuwing pas een dag later ter verzending is aangeboden, wat zou betekenen dat deze pas op 23 augustus 2023 bij eiseres zou zijn bezorgd. Gelet op het vorenstaande kan er niet van worden uitgegaan dat eiseres voorafgaand aan de constatering van onderhavige overtreding op 23 augustus 2023 de op 21 augustus 2023 gedateerde schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen.
4.5.
In het verweerschrift stelt verweerder zich weliswaar op het standpunt dat eiseres op 12 juli 2023 per e-mail op de hoogte is gesteld van de bevindingen van de overtreding van 12 juli 2023, maar deze e-mail is niet overgelegd. Zodoende is niet vast te stellen wat in deze mail is opgenomen en of dit bericht met een schriftelijke waarschuwing gelijkgesteld zou kunnen worden. [4]
4.6.
Nu onvoldoende aannemelijk is dat de schriftelijke waarschuwing van 21 augustus 2023 eiseres heeft bereikt voordat de onderhavige overtreding is vastgesteld, is niet voldaan aan de in het toepasselijke interventiebeleid opgenomen voorwaarde dat pas na een herhaalde waarschuwing een boete wordt opgelegd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder naar aanleiding van de constateringen op 23 augustus 2023 geen boete mocht opleggen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Omdat het gebrek dat aan het besluit kleeft zich naar zijn aard niet leent voor herstel, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien. Zij zal het boetebesluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen besluit. Dit betekent dat de boete komt te vervallen.
6. Omdat het beroep gegrond is bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.266,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het boetebesluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. N.S.J. Letschert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.IB01-SPEC 25, versie 01.
2.Zie artikel 4.3 van het Algemeen Interventiebeleid NVWA 2024.
4.Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank van 19 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1541.