ECLI:NL:RBROT:2026:8280

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/10/718361 / JE RK 26 -733
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing, toewijzing afbouw omgangsregeling tante

De moeder van de minderjarige is overleden in december 2023, waarna de vader het ouderlijk gezag kreeg en de minderjarige bij de oma verblijft. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing vanwege spanningen binnen de familie en de omgang met de tante. De oma verzocht om afbouw van de verplichte omgangsregeling met de tante, gezien de spanningen en het belang van de minderjarige.

Tijdens de zitting op 18 juni 2026 werd vastgesteld dat de minderjarige zich goed ontwikkelt op school en sociaal-emotioneel, en op een passende wijze rouwt. De samenwerking tussen de vader en oma verloopt positief. De GI erkent dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging meer is, maar wenst monitoring vanwege de omgang met de tante. De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling niet meer zijn vervuld en wijst het verzoek van de GI af.

Ten aanzien van de omgangsregeling met de tante is de kinderrechter van oordeel dat een verplichte regeling niet langer passend is, mede door het vertrek van de tante naar Suriname en de spanningen die dit met zich meebrengt. Het verzoek van de oma om de omgangsregeling af te bouwen wordt toegewezen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing afgewezen, verzoek tot afbouw omgangsregeling met tante toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/718361 / JE RK 26-733
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (afwijzing) tot verlenging ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en vaststellen omgangsregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
[naam oma] ,
hierna te noemen: de oma, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. G.M.H. Vriesde, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam tante],
hierna te noemen: de tante, (voorheen) wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.D. Winter, kantoorhoudende te Den Haag.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 29 april 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het toetsingsbesluit van de Raad van 21 mei 2026, ontvangen op 11 juni 2026;
  • de briefrapportage van de GI van 11 juni 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • de pleitnota van mr. G.M.H. Vriesde, overhandigd (
  • de brief van de tante, overhandigd (
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader;
  • de oma met haar advocaat;
  • de tante met haar advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam opa mz] , de opa moederszijde van [voornaam minderjarige] .

2.De feiten

2.1.
De moeder van [voornaam minderjarige] is op 9 december 2023 overleden. De vader is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft bij de oma.
2.3.
Bij beschikking van 29 april 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 28 juni 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 28 juni 2026. Het overig verzochte is aangehouden.

3.De aangehouden verzoeken

Het verzoek van de GI
3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er resteert nog een beslissing op de overige periode van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] , te weten tot 28 november 2026.
Het zelfstandige verzoek van de oma
3.2.
De oma heeft verzocht de huidige verplichte omgangsregeling van 4,5 uur per week tussen de tante en [voornaam minderjarige] af te bouwen naar geen verplicht contact, zonder uitbreiding van de omgangsregeling naar weekenden, logeerpartijen of vakanties tussen de tante en [voornaam minderjarige] . Hier dient nog op te worden beslist.

4.De standpunten

Ten aanzien van het verzoek van de GI
4.1.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht dit als volgt toe. Het gaat goed met [voornaam minderjarige] . Zij ontwikkelt zich thuis en op school voorspoedig. Ook komt zij tot rouwen, hetgeen uiteraard eveneens belangrijk is. De opvoedsituatie bij de oma is stabiel, veilig en voorspelbaar. De samenwerking met de oma verloopt positief. De oma en de vader regelen hetgeen voor [voornaam minderjarige] nodig is onderling en er zijn geen signalen dat de GI de afgelopen maanden nodig is geweest. Feitelijk is er geen sprake meer van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, maar de GI wenst verdere betrokkenheid vanwege de moeizame omgang tussen [voornaam minderjarige] met de tante en andere familieleden. Het contact tussen de oma, vader en de tante staat nog steeds onder spanning, waardoor een omgangsvorm in het vrijwillig kader waarschijnlijk niet tot stand komt. Een vastgestelde omgangsregeling kan hierbij helpend zijn. Op dit moment is de situatie nog te fragiel om het volledig over te dragen naar het vrijwillig kader en is verdere monitoring nog noodzakelijk.
4.2.
De vader brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. Het gaat goed met [voornaam minderjarige] . Zij doet haar best op school en sociaal-emotioneel ontwikkelt zij zich goed. De vader is erg trots op haar. Hij acht de verdere betrokkenheid van de GI niet noodzakelijk, maar is bereid om mee te werken aan alles wat nodig is in het belang van [voornaam minderjarige] .
4.3.
Door en namens de oma wordt tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De oma verzoekt primair het verzoek af te wijzen. Er is geen sprake meer van een actuele ernstige ontwikkelingsbedreiging, zodat een verlenging van de maatregelen niet meer aan de orde is. [voornaam minderjarige] verblijft inmiddels geruime tijd bij de oma en zij ontwikkelt zich hier goed. De vader en de oma werken goed samen en dit wordt ook geconstateerd door zowel de GI als de Raad voor de Kinderbescherming. De GI geeft aan verder te willen monitoren vanwege de fragiele situatie en vanwege het contact met de tante, maar onderbouwt onvoldoende wat de situatie zo fragiel maakt. [voornaam minderjarige] ontwikkelt zich goed op school en op sociaal-emotioneel vlak zijn er ook geen zorgen. De oma maakt duidelijk dat rouwen geen houdbaarheidsdatum kent, maar dat [voornaam minderjarige] goed haar verdriet en behoeftes kan uiten. De zorgen die de GI beschrijft zien niet op de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] , maar op verschillen van inzicht tussen volwassenen. Dit kan niet worden beschouwd als een zelfstandige grond voor voortzetting van de maatregelen. Indien de kinderrechter de maatregelen wel verlengd, verzoekt de oma deze te beperken voor de duur van drie maanden en de GI op te dragen concrete en toetsbare doelen te formuleren die gericht zijn op beëindiging van het gedwongen kader op een zo kort mogelijke termijn.
4.4.
Door en namens de tante wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De verdere betrokkenheid van de GI is, vanwege de onderlinge spanningen, nog noodzakelijk. Het is weliswaar positief dat het contact tussen de oma en de vader goed verloopt, maar dat is niet zo voor de tante. De tante geeft aan dat zij niets heeft gehoord van de Raad voor de Kinderbescherming en daardoor niet is betrokken in het toetsingsbesluit. De tante heeft de afgelopen maanden met name in Suriname verbleven en is van plan haar leven daar voort te zetten. Het contact met [voornaam minderjarige] wil zij graag onderhouden zoals eerder verzocht via beeldbellen, tijdens vakanties en tijdens verblijf in Nederland.
Ten aanzien van het zelfstandige verzoek van de oma
4.5.
Door en namens de oma wordt het verzoek tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het contact tussen [voornaam minderjarige] en haar tante moet uiteraard mogelijk blijven zolang dit maar aansluit bij de behoeften en wensen van [voornaam minderjarige] . Een verplichte omgangsregeling is hierbij niet in haar belang. Ondanks de nog jonge leeftijd van [voornaam minderjarige] moeten haar eigen wensen en gevoelens worden gerespecteerd. Dit is van belang voor haar autonomie en zelfstandigheid. De tante heeft de meeste tijd geen actieve rol gehad in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] en geeft de GI aan dat het niet duidelijk is of er een hechtingsrelatie is tussen [voornaam minderjarige] en de tante. Er wordt onvoldoende onderbouwd waarom een juridische regeling noodzakelijk zou zijn. De spanningen waar de GI op doelt, blijven voortbestaan, ook met een verplichte omgangsregeling. Er ontstaan angsten bij [voornaam minderjarige] dat zij toch naar Suriname moet en wordt weggetrokken uit haar vertrouwde omgeving. Het is tevens onduidelijk hoe uitvoering dient te worden gegeven aan de omgangsregeling indien tante, zoals zij heeft aangegeven, voor onbepaalde tijd in Suriname verblijft. De oma erkent al met al zeker het belang van de familiebanden maar acht een verplichte omgangsregeling niet in het belang van [voornaam minderjarige] .
4.6.
De vader is het eens met het standpunt en het verzoek van de oma. Het contact met de tante en andere familieleden moet genormaliseerd worden naar contact zoals dat ook geldt voor andere familieleden. Een verplichte omgangsregeling is hierbij niet in het belang van [voornaam minderjarige] .
4.7.
Door en namens de tante wordt tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van de oma. Het contact met [voornaam minderjarige] is afgelopen periode niet structureel tot stand gekomen. Dit had verschillende redenen. Indien er werd gevraagd om een nieuwe afspraak te plannen, kreeg de tante geen reactie. Het contact wat wel heeft plaatsgevonden, was prettig. Vanwege de onderlinge spanningen en moeilijke communicatie heeft de tante er geen vertrouwen in dat er omgang plaatsvindt in het vrijwillig kader. Het hof heeft meermaals de uitspraak gedaan dat er family life bestaat tussen [voornaam minderjarige] en de tante. Dit maakt dat er een recht op omgang van [voornaam minderjarige] en de tante en andersom bestaat. De GI heeft vastgesteld dat de betrokken partijen dit niet vrijwillig kunnen waarborgen. Een verplichte omgangsregeling is daarom nodig. Het contact tussen [voornaam minderjarige] en haar familie van moederszijde dient daarmee te worden gewaarborgd en vastgelegd.

5.De beoordeling

Ten aanzien van het verzoek van de GI
5.1.
Bij elk verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, dient de kinderrechter te toetsen of aan de in de wet gestelde voorwaarden wordt voldaan. [1] Er moet sprake zijn van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige en de ouders moeten de noodzakelijke hulpverlening om deze ontwikkelingsbedreiging weg te nemen onvoldoende willen of kunnen aanvaarden.
5.2.
Voorheen bestonden er zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Zij heeft haar moeder veel te jong verloren. Naast dit enorme verlies zijn er spanningen ontstaan in de familie waardoor [voornaam minderjarige] in een loyaliteitsconflict terecht kwam. De grote mensen om haar heen kwamen onderling niet voldoende tot goede afspraken en eerder was de vader slechts beperkt betrokken bij (het leven van) [voornaam minderjarige] . Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt – onweersproken - dat het met [voornaam minderjarige] goed gaat. Zij doet het goed op school, gaat met plezier naar groep 4, ontwikkelt zich voorspoedig en komt tot rouwen op een voor haar passende manier. De kinderrechter heeft veel respect voor [voornaam minderjarige] , hoe zij omgaat met de spanningen tussen de grote mensen om haar heen en het verlies van haar moeder. [voornaam minderjarige] geeft daarbij in feite het goede voorbeeld, zij ontwikkelt door. De betrokkenheid van de GI is de afgelopen periode minimaal geweest, verdere hulpverlening is niet langer nodig. Een (verlenging van een) ondertoezichtstelling is een maatregel van gedwongen kinderbescherming waaraan - uiteraard terecht - door de wet eisen zijn gesteld. Met name dient sprake te zijn van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de betrokken minderjarige, [voornaam minderjarige] dus. De GI heeft desgevraagd aangegeven dat in feite geen sprake meer is van die bedreiging, maar dat de GI haar situatie wenst te monitoren, met name waar het gaat om de omgang tussen [voornaam minderjarige] , de tante en familie moederszijde. Nu (ook) naar het oordeel van de kinderrechter niet langer sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] , kan van een (verlenging van de) ondertoezichtstelling geen sprake meer zijn. Nu niet is verzocht tot opheffing van de nog lopende ondertoezichtstelling is de komende periode nog ruimte om waar nodig zaken af te ronden.
5.3.
[voornaam minderjarige] heeft helaas langere tijd in een meer dan nare situatie verkeerd, waarbij de voor haar belangrijke personen - overigens allen redenerend vanuit het belang van [voornaam minderjarige] door hun ogen - nog niet voldoende in staat bleken met elkaar afspraken te maken. Ook heeft zij enige tijd zich zorgen gemaakt over vertrek uit haar vertrouwde wereldje van thuis, school, vriendinnetjes en wat dies meer zij vanwege destijds door de tante gewenst vertrek naar Amsterdam en Suriname. Inmiddels is de situatie van en voor [voornaam minderjarige] gelukkig tot veel meer rust gekomen en ontwikkelt zij zich goed. Het feit dat zij tot rouwen is gekomen op een haar passende manier is daarbij, hoe naar in feite ook de aanleiding daartoe, een positief teken. Ook is de onderlinge samenwerking tussen de oma en de vader, onweersproken, positief en in het belang van [voornaam minderjarige] . Beiden dragen op eigen wijze zorg voor haar. De situatie is al met al tot rust gekomen en genormaliseerd. [voornaam minderjarige] gaat naar groep 4 en geniet van de dingen die passen bij haar leeftijd. Daarbij hoort eveneens waar en wanneer maar mogelijk een genormaliseerd contact met familieleden, zowel van de zijde van de moeder als van de vader. Daarin ligt een groot belang van en voor [voornaam minderjarige] en dus eveneens voor allen om haar heen. Het zij [voornaam minderjarige] gegund dat zij fijn contact kan hebben met haar gehele familie, zij stamt immers af van haar beide ouders en beide families zijn daarmee van groot belang.
De kinderrechter vertrouwt er daarom op dat de oma en de vader zich ook in dit opzicht voor [voornaam minderjarige] blijven inzetten, omdat [voornaam minderjarige] alsmede de nagedachtenis aan haar moeder die inzet ten volle verdienen. Een verplichte regeling is hierbij echter niet langer passend. De eerder vastgestelde regeling was gebaseerd op een inmiddels andere situatie en het is in het belang van [voornaam minderjarige] dat rust terugkeert.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. [2] De kinderrechter zal het aangehouden verzoek van de GI daarom afwijzen. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] niet noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [3] De hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] is bij de oma en de vader is het hiermee eens.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van het zelfstandige verzoek van de oma
5.6.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er spanningen bestaan over de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de tante. Hoewel de kinderrechter, gezien de voorgeschiedenis, de wens van de tante begrijpt, acht zij het niet in het belang van [voornaam minderjarige] om de omgang uit te breiden, zoals de tante eerder heeft verzocht. De omgang tussen [voornaam minderjarige] met haar tante en andere familieleden, en de al dan niet uitbreiding daarvan, dient te verlopen in het belang, en dus ook op het tempo, van [voornaam minderjarige] . De kinderrechter is van oordeel dat een vastgelegde omgangsregeling daarvoor niet een geschikt middel is. Met het vertrek van de tante naar Suriname is de situatie zodanig gewijzigd dat de beoogde omgangsregeling ook daarom al niet meer aansluit bij [voornaam minderjarige] . Zoals hierboven beschreven is de situatie van [voornaam minderjarige] inmiddels tot rust gekomen en is vastgelegde/voorgestelde omgangsregeling niet meer passend. De kinderrechter vertrouwt erop dat de oma en de vader de belangen van [voornaam minderjarige] ten volle blijven dienen en daar hoort contact met de familie van moederszijde bij. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de oma tot het afbouwen van de huidige verplichte omgangsregeling naar geen verplicht contact toewijzen; voor een regeling zoals door tante aangegeven laat het belang van [voornaam minderjarige] geen ruimte.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek van de GI af;
6.2.
wijst het verzoek van de oma toe;
6.3.
wijst af het anders of meer verzochte;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr als griffier, en op schrift gesteld op 24 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:260 BW Pro.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.