ECLI:NL:RBROT:2026:8458

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
12215517 vv expl 26-259
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 RvArt. 139 RvArt. 7:274 lid 1 sub c BWArt. 7:274d BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming studentenkamer wegens niet-naleving inschrijvingsbewijs en huurachterstand

Woonstad Rotterdam heeft een huurovereenkomst gesloten met gedaagde voor een studentenkamer, waarbij voortzetting afhankelijk is van inschrijving bij een onderwijsinstelling. Gedaagde heeft herhaaldelijk verzocht om bewijs van inschrijving niet ingewilligd en is niet verschenen op afspraken om dit aan te tonen.

Woonstad Rotterdam heeft de huurovereenkomst opgezegd wegens dringend eigen gebruik en vordert ontruiming. Gedaagde reageerde niet op de opzegging en heeft een huurachterstand van €4.972,05 opgebouwd. De kantonrechter acht het aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden beëindigd.

Daarom wordt in kort geding vooruitgelopen op de beëindiging en wordt gedaagde veroordeeld tot ontruiming binnen 14 dagen na betekening, betaling van de huurachterstand en lopende huur, en betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de studentenkamer en betaling van huurachterstand en lopende huur.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12215517 VV EXPL 26-259
datum uitspraak: 25 juni 2026 (bij vervroeging)
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam, tevens handelend onder de naam Stadswonen Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. M. Jansen,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘Woonstad Rotterdam’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 28 mei 2026, met bijlagen;
  • de brief van 9 juni 2026 van de gemachtigde van Woonstad Rotterdam, met productie 9.
1.2.
Op 19 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting met [naam], werkzaam bij Woonstad Rotterdam en mr. M. Jansen besproken. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Uit de stellingen van Woonstad Rotterdam volgt dat deze spoed aanwezig is. De eis wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv Pro).
2.2.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden beëindigd. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.2.1.
Woonstad Rotterdam heeft met [gedaagde] een huurovereenkomst student (campuscontract) gesloten. Op grond van die huurovereenkomst heeft [gedaagde] een onzelfstandige woonruimte (studentenkamer) gehuurd in het woongebouw “Koningslaan”. In de huurovereenkomst is opgenomen dat de huurovereenkomst met ingang van 2 mei 2025 is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten de duur van de studie, c.q. het ingeschreven staan als student bij een in Rotterdam gevestigde instelling voor hoger en wetenschappelijk onderwijs, een onderwijsinstelling, als bedoeld in artikel 1.1.1 onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of als bedoeld in artikel 1.2 onderdelen a en b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met een maximale uitloop van zes maanden na het beëindigen van de studie (zie artikel 4). Woonstad Rotterdam heeft per e-mail en brief van 29 september 2025 aan [gedaagde] verzocht aan te tonen dat zij nog steeds tot de doelgroep studenten behoort door een bewijs van inschrijving van een onderwijsinstelling over te leggen. Aan dat verzoek heeft zij, ook na aanmaning, niet voldaan.
2.2.2.
Woonstad Rotterdam heeft per aangetekende en gewone mail van 28 januari 2026 de huurovereenkomst opgezegd op grond van dringend eigen gebruik tegen 1 augustus 2026 en [gedaagde] verzocht om binnen 6 weken te laten weten of zij al dan niet met de beëindiging van de huurovereenkomst instemt. [gedaagde] heeft niet op de opzegging geregeerd. Daarnaast heeft Woonstad Rotterdam ook nog telefonisch contact gehad met [gedaagde] en met haar afgesproken dat zij op 19 maart 2026 op kantoor van Woonstad Rotterdam de inschrijving aan een onderwijsinstelling zal aantonen. Zij is echter niet verschenen.
2.2.3.
Omdat [gedaagde] niet heeft gereageerd op de verzoeken om aan te tonen dat zij nog steeds tot de doelgroep studenten behoort door een bewijs van inschrijving van een onderwijsinstelling over te leggen, is het aannemelijk dat de vordering van Woonstad Rotterdam tot beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik in de zin van artikel 7:274 lid Pro 1, sub c BW in samenhang met artikel 7:274d BW in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de beëindiging en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 4.972,05 betalen
2.3.
[gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Volgens het overzicht dat Woonstad Rotterdam bij de dagvaarding heeft gevoegd bedraagt de huurachterstand € 4.972,05. [gedaagde] zal worden veroordeeld om deze huurachterstand te betalen. De kantonrechter merkt op dat deze huurachterstand, van ruim zes maanden, ook ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te ontbinden.
2.4.
Tevens is [gedaagde] gehouden om de lopende huur te voldoen tot de dag van ontruiming. De huidige huurprijs inclusief servicekosten bedraagt € 745,95 per maand. De kale huur per 1 juli 2026 zal € 491,12 per maand bedragen. De hoogte van de servicekosten per 1 juli 2026 is nog niet bekend.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonstad Rotterdam moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 529,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.403,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonstad Rotterdam dat eist (artikel 233 Rv Pro) en het voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure het vonnis eveneens uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. [gedaagde] heeft ondanks herhaalde verzoeken geen bewijs van inschrijving bij een onderwijsinstelling kunnen laten zien en voorts op geen enkele wijze gereageerd, zodat het aannemelijk is dat zij geen gegrond verweer kan voeren. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde staande en gelegen aan het adres de [adres], binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend, doch niet eerder dan 1 augustus 2026, te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonstad Rotterdam te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonstad Rotterdam te betalen € 4.972,05 aan huurachterstand tot en met mei 2026 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag dat het bedrag opeisbaar is geworden tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 juni 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt € 745,95 (en vanaf 1 juli 2026 € 491,12) per maand te betalen aan Woonstad Rotterdam;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad Rotterdam worden begroot op € 1.403,02;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
754