ECLI:NL:RBROT:2026:8658

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
FT RK 26/355
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b FwArt. 305 Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot beëindiging moratorium op grond van niet-nakoming huurbetalingen niet-ontvankelijk verklaard

Verzoekster heeft op 11 juni 2026 een verzoek ingediend om een eerder verleende voorlopige voorziening (moratorium) op grond van artikel 287b Faillissementswet te beëindigen en de ontruiming van de huurwoning toe te staan.

De voorlopige voorziening was op 26 maart 2026 voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig voldaan moesten worden. Verzoekster stelt dat de huur voor mei en juni 2026 niet tijdig is betaald en verzoekt daarom beëindiging van het moratorium.

De rechtbank oordeelt dat verzoekster niet-ontvankelijk is omdat zij geen belang meer heeft. Er is immers een uitvoerbaar bij voorraad verklaard ontruimingsvonnis van 21 januari 2026, waarvan de tenuitvoerlegging slechts tijdelijk is opgeschort onder de voorwaarde van tijdige huurbetaling. Bij niet-nakoming eindigt het moratorium automatisch, waardoor verzoekster weer kan overgaan tot ontruiming.

De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag voor het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening en komt daarom niet toe aan inhoudelijke beoordeling. Het verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verzoek tot beëindiging van het moratorium wegens niet-tijdige huurbetaling wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de verhuurder geen belang meer heeft.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
verzoekschrift wegens niet-nakoming moratorium (ex art. 287b Fw)
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 23 juni 2026
[bedrijf] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: [naam 1] van Active Collecting Control & Services B.V.
tegen
[naam 2] ,
wonende op een geheim adres,
hierna: verweerster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 11 juni 2026 een verzoekschrift ingediend waarbij zij verzoekt een eerder verleende voorlopige voorziening (moratorium, art. 287b Fw) te beëindigen en de ontruiming van de huurwoning toe te staan..

2.Het verzoek

Bij vonnis van 26 maart 2026 is aan verweerster voor de duur van zes maanden een voorlopige voorziening bij voorraad ex artikel 287b Fw verleend. In haar vonnis heeft de rechtbank ter zekerheid van de belangen van verzoekster in het dictum een voorwaarde opgenomen. De voorwaarde houdt in dat de voorlopige voorziening slechts geldt, zolang gedurende de voorlopige voorziening de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoekster stelt dat verweerster de huurtermijnen voor de maanden mei en juni 2026 niet tijdig – vóór de eerste van de maand – heeft voldaan. Verzoekster verzoekt de rechtbank de voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid Fw te beëindigen.

3.De beoordeling

De rechtbank zal het verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaren. De verhuurder heeft daarbij geen belang. Want verzoekster heeft een uitvoerbaar bij voorraad verklaard ontruimingsvonnis van de kantonrechter van 21 januari 2026. De tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter is bij vonnis van deze rechtbank van 26 maart 2026 opgeschort voor de duur van zes maanden. Hierbij is door de rechtbank bepaald dat de voorlopige voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende de voorlopige voorziening tijdig worden voldaan. Als verweerster niet aan deze voorwaarde heeft voldaan eindigt de voorlopige voorziening. Dat is ook in lijn met het bepaalde in art. 305 Fw Pro. Gelet op haar eigen stellingen zal verzoekster in zoverre weer kunnen overgaan tot tenuitvoerlegging van het (ontruimings-)vonnis van 21 januari 2026. Verzoekster heeft daarom geen belang meer bij het verzoek.
Overigens heeft de wet ook niet bepaald dat de verhuurder om opheffing van de voorlopige voorziening kan vragen als de schuldenaar niet aan de verplichtingen heeft voldaan.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

4.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.