ECLI:NL:RBROT:2026:8690

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/10/692906 / HA ZA 25-91
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 6:96 lid 2 onder b BWArt. 6:102 BWArt. 6:99 BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid accountantskantoor voor onjuist fiscaal advies en schadestaatprocedure

In deze schadestaatprocedure bevestigt de Rechtbank Rotterdam het eerdere oordeel dat Baker Tilly aansprakelijk is voor ondeugdelijk fiscaal advies over de 'Cyprusroute', een fiscale truststructuur. De rechtbank neemt het eerdere oordeel over 50% eigen schuld van eisers als uitgangspunt en ziet geen reden dit te herzien.

De procedure volgt op eerdere uitspraken van rechtbank en gerechtshof waarin de aansprakelijkheid werd vastgesteld. De eisers, bestaande uit een groep verbonden partijen, vorderen nu de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat de door eisers overgelegde schadeberekening onvoldoende is onderbouwd, omdat deze niet uitgaat van een juiste hypothetische situatie zonder onrechtmatig handelen.

De rechtbank wijst erop dat de eisers een gedetailleerde vermogensvergelijking moeten overleggen die de werkelijke situatie met de 'Cyprusroute' vergelijkt met een scenario waarin de onderneming onder Nederlandse belastingwetgeving zou zijn gevallen. Tevens moet inzicht worden gegeven in schadebeperkende factoren zoals de schikking met de Belastingdienst en het voortzetten van de onderneming na 2016. De zaak wordt aangehouden voor nadere conclusies en mogelijke deskundigenrapporten.

Uitkomst: Rechtbank bevestigt aansprakelijkheid en eigen schuld, eisers moeten schade nader onderbouwen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/692906 / HA ZA 25-91
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiser 1] ,
2.
[eiser 2] B.V.,
hierna te noemen: [eiser 2] ,
te [vestigingsplaats 1] ,
3.
[eiser 3] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: [eiser 3] ,
4.
[eiser 4],
te [vestigingsplaats 3] ,
hierna te noemen: [eiser 4] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] .,
advocaat: mr. J. Stikkelbroeck,
tegen
BAKER TILLY (NETHERLANDS) N.V.,
te [vestigingsplaats 4] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Baker Tilly,
advocaat: mr. A. Haan.
De zaak in het kort
Het gaat hier om een schadestaatprocedure. In de hoofdzaak is in twee instanties geoordeeld dat een accountantskantoor aansprakelijk is voor een onjuist fiscaal advies. Wel is daarbij 50% eigen schuld van eisers vastgesteld. In dit vonnis worden die oordelen tot uitgangspunt genomen, er is geen reden om daarvan terug te komen. Voor vaststelling van de te vergoeden schade is echter meer en andere informatie nodig dan nu beschikbaar. Daarom krijgen eisers de gelegenheid om de schade nader te onderbouwen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 13 januari 2025, met producties 1-38;
- de conclusie van antwoord, met producties 1- 24;
- de mondelinge behandeling, gehouden op 26 november 2025;
- productie 39 van [eisers] .;
- de spreekaantekeningen van [eisers] .;
- de spreekaantekeningen van Baker Tilly.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

partijen
2.1.
[eiser 1] houdt via [eiser 2] de aandelen in [eiser 3] , een groothandel in behangartikelen.
2.2.
[eiser 1] heeft [eiser 3] in 2005 gekocht uit de faillissementsboedel van de voormalige moedermaatschappij van [eiser 3] . Kort nadat [eiser 1] [eiser 3] heeft overgenomen, heeft hij nieuwe merkrechten aangekocht (waaronder het merk Royal Dutch), onder welke eigen merknamen [eiser 3] een groot deel van haar handel zou gaan drijven.
2.3.
[eiser 4] is een Cypriotische vennootschap waarvan [eiser 1] de ultimate beneficial owner (UBO) is.
2.4. (
De rechtsvoorganger van) Baker Tilly was al het vaste accountants- en belastingadvieskantoor van [eiser 3] toen [eiser 1] haar overnam. In de 10 jaar daarna, van 2005 t/m 2014, adviseerde Baker Tilly niet alleen [eiser 3] , maar ook [eisers] . bij de groeiplannen en op het gebied van fiscaliteit, accountancy en daaraan gerelateerde vraagstukken.
schadestaatprocedure en hoofdzaak
2.5.
Dit betreft een schadestaatprocedure. Deze procedure is een vervolg op de procedures die partijen in eerste aanleg en in hoger beroep hebben gevoerd over de vraag of Baker Tilly jegens [eisers] . aansprakelijk is als gevolg van ondeugdelijke advisering over een fiscale truststructuur (de zogenaamde 'Cyprusroute') en de uitvoering daarvan vanaf eind 2006/begin 20007.
2.6.
De 'Cyprusroute' hield - kort gezegd - het volgende in. De merkrechten werden ondergebracht in een op Cyprus op te richten vennootschap ( [eiser 4] ), waarvan [eiser 1] via een trust, met de naam Royal Dutch Trust, de UBO werd. De Nederlandse onderneming ( [eiser 3] ) droeg licentievergoedingen af aan [eiser 4] voor het gebruikmaken van die merkrechten. Door licentievergoedingen te betalen werd door [eiser 3] minder winst gerealiseerd en daardoor behoefde [eiser 3] minder vennootschapsbelasting te betalen. De aan [eiser 4] afgedragen licentievergoedingen werden via de trust als 'gift' weer uitgekeerd aan [eiser 1] als UBO. [eiser 1] zou over die uitkeringen geen inkomstenbelasting verschuldigd zijn.
2.7.
Vanaf 2011/2012 is de Belastingdienst begonnen om de truststructuur van [eisers] . (de 'Cyprusroute') te onderzoeken. In het kader van het onderzoek zijn vragen gesteld aan de betrokken medewerkers van Baker Tilly.
2.8.
In 2013 is een werknemer (fiscaal partner) van Baker Tilly door het Openbaar Ministerie als verdachte aangemerkt vanwege diens betrokkenheid bij een vergelijkbare fiscale structuur, waar een andere onderneming ook de Cyprusroute had gebruikt.
2.9.
In januari 2014 heeft Baker Tilly een incidentmelding gedaan bij de AFM nadat deze fiscale partner een transactievoorstel van het openbaar ministerie had geaccepteerd. Hierna heeft Baker Tilly nog drie incidentmeldingen bij de AFM gedaan die verband houden met toepassing van deze door haar geadviseerde fiscale structuur.
2.10.
In 2014 heeft Baker Tilly advocatenkantoor NautaDutilh N.V. (hierna: NautaDutilh) ingeschakeld om haar bij te staan. Op 22 september 2014 heeft de Raad van Commissarissen van Baker Tilly aan NautaDutilh opdracht gegeven voor een onderzoek naar 'de Cyprusroute'. Dit rapport heeft NautaDutilh op 23 november 2014 uitgebracht. Het rapport heeft NautaDutilh gedeeld met onder andere de AFM, de Belastingdienst, de FIOD en het Openbaar Ministerie.
2.11.
Baker Tilly heeft [eisers] . eind september 2014 geïnformeerd over het onderzoek door de Belastingdienst.
2.12.
Vanaf 2014 heeft de Belastingdienst aan [eiser 3] en [eiser 1] (navorderings)aanslagen vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting opgelegd. Op 19 april 2016 hebben [eisers] . (en gelieerde vennootschappen) over de te betalen belastingen een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst getekend.
2.13.
Het Openbaar Ministerie heeft een strafzaak tegen [eiser 1] die samenhing met fiscale kwesties onder voorwaarden geseponeerd.
de rechterlijke uitspraken in de hoofdzaak
2.14.
De rechtbank Rotterdam heeft in de procedure met kenmerk C/10/503430/ HA ZA 16-555, ECLI:NL:RBROT:2017:9390 (hierna: de hoofdzaak) op 29 november 2017 eindvonnis gewezen. In dat eindvonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank de volgende veroordelingen uitgesproken:
"5.1 verklaart voor recht dat BTB [rechtbank: d.i. Baker Tilly] jegens [eisers] . toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld,
5.2
veroordeelt BTB om de schade die [eisers] . hebben geleden en zullen lijden als gevolg van het onder 5.1 genoemde toerekenbaar tekort schieten en/of onrechtmatig handelen van BTB te vergoeden, welke schadevergoeding nader dient te worden opgemaakt bij staat en dient te worden vereffend volgens de wet, met dien verstande dat de vergoedingsplicht van BTB met 50% wordt verminderd wegens eigen schuld aan de zijde van [eisers] .,
(…)
5.5
veroordeelt BTB tot betaling aan [eisers] . van een voorschot ten bedrag van € 200.000,00 op de eventueel in schadestaat vast te stellen schadevergoeding."
2.15.
Van dit vonnis heeft Baker Tilly (principaal) hoger beroep ingesteld, dat - na verwijzing - is behandeld door het gerechtshof Den Bosch, en [eisers] . incidenteel hoger beroep. [eisers] . hebben een incidentele vordering ex art. 223 Rv Pro ingesteld, die strekte tot inzage in een aantal stukken. In zijn arrest van 25 januari 2022 (zaaknummer: 200.279.124/01, ECLI:NL:GHSHE:2022:157) heeft het gerechtshof Den Bosch de vordering in het incident afgewezen en in het principaal en incidenteel hoger beroep het bestreden vonnis bekrachtigd, onder compensatie van de kosten.
2.16.
In het arrest heeft het gerechtshof Den Bosch ten aanzien van de eigen schuld (artikel 6:101 BW Pro) van [eisers] . het volgende overwogen:
"6.17 De grieven van [eiser 1] in het incidenteel hoger beroep die zijn vermeld in 8.0 tot en met 8.6 van zijn memorie in hoger beroep, hebben betrekking op de vraag of de schade van [eiser 1] mede een gevolg is van omstandigheden die aan hem kunnen worden toegerekend. Het hof bespreekt deze grieven gezamenlijk.
6.18.
[eiser 1] was ondernemer. Hij had betrekkelijk kort vóór het geven van het advies de aandelen van [eiser 3] verworven, maar was al jaren in de onderneming van [eiser 3] werkzaam geweest. Hij had tijdens zijn hbo-opleiding kennis opgedaan van belastingconstructies (zie ook de publicatie in De Volkskrant van [datum] 2018, productie 35 van Baker Tilly). Het onzakelijke karakter van de geadviseerde constructie was naar het oordeel van het hof zo evident, dat dit ook [eiser 1] als ervaren ondernemer aanstonds duidelijk moet zijn geweest. [eiser 1] heeft bij de mondelinge behandeling door het hof verklaard - en dit spreekt ook wel vanzelf - dat de constructie alleen aanvaardbaar was als ‘het zijn geld bleef’. Dit toont al aan dat het ook in zijn ogen een schijnconstructie was met het enkele doel om belastingheffing te ontgaan. Reeds hierom heeft [eiser 1] moeten betwijfelen of dit fiscaal toelaatbaar was.
6.19.
[eiser 1] heeft daarbij niet mogen vertrouwen op de deskundigheid en het advies van Baker Tilly, in die zin dat hij erop mocht vertrouwen dat de constructie volgens Baker Tilly fiscaal toelaatbaar was. In het advies is immers op diverse wijzen, uitgebreid en uitdrukkelijk beschreven dat de geadviseerde constructie risico’s had en dat de Belastingdienst onderzoeken kon doen, procedures en strafrechtelijk onderzoek kon opstarten en daarin succesvol kon zijn. Deze waarschuwingen waren toegesneden op de geadviseerde constructie en niet voor misverstand vatbaar. Het hof illustreert dit door deze waarschuwingen te citeren:
‘(…)’
6.20.
Dat [eiser 1] , zoals hij nu stelt, op deze uitgebreide en uitdrukkelijke waarschuwingen geen acht heeft geslagen, is weinig geloofwaardig. Dat hij de waarschuwingen niet heeft begrepen of dat deze voor hem onbegrijpelijk waren, is onvoldoende toegelicht, mede gelet op zijn opleiding en zakelijke achtergrond. Voor het geval hij desondanks aan de waarschuwingen onvoldoende aandacht heeft besteed, komt dit voor zijn risico.
6.21.
Door ondanks het evident onzakelijke karakter van de constructie en de daarbij gegeven waarschuwingen te kiezen voor deze risicovolle constructie heeft [eiser 1] zelf bijgedragen aan de schade die is ontstaan door het verwezenlijken van de risico’s waarvoor hij was gewaarschuwd. De omstandigheid dat Baker Tilly na het geven van het advies betrokken is gebleven bij het uitvoeren daarvan, maakt dit niet anders. Ook hetgeen [eiser 1] verder nog heeft aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden dan dat de schade van [eiser 1] mede een gevolg is van omstandigheden die aan hem kunnen worden toegerekend.
6.22.
De conclusie is dat de grieven van [eisers] . die zijn vermeld in 8.0 tot en met 8.6 geen doel treffen.
6.23.
Ten overvloede merkt het hof op dat niet behoeft te worden besproken of de rechtbank eigen schuld heeft aangenomen op grond van andere argumenten dan Baker Tilly heeft aangevoerd. Ook als dit zo zou zijn, leidt dit niet tot het oordeel dat het vonnis van de rechtbank moet worden vernietigd. Het hof heeft immers het oordeel over de eigen schuld van [eiser 1] gebaseerd op de argumenten die partijen zowel in de eerste aanleg als in hoger beroep naar voren hebben gebracht."
na de hoofdzaak
2.17.
Op 25 juli 2022 heeft de Raad van Discipline uitspraak gedaan naar aanleiding van door [eiser 1] tegen twee bij het rapport van 23 november 2014 betrokken advocaten van NautaDutilh ingediende tuchtklachten en een dekenbezwaar. De Raad van Discipline heeft in hoger beroep in zijn uitspraak van 2 juni 2023 het dekenbezwaar gegrond verklaard en de advocaten ieder de maatregel van een waarschuwing opgelegd. In het hoger beroep, ingesteld door een van de advocaten, heeft het Hof van Discipline het dekenbezwaar deels ongegrond verklaard en aan de advocaat de maatregel van berisping opgelegd.
2.18.
In maart en april 2023 hebben op verzoek van [eisers] . voor de rechtbank Amsterdam voorlopige getuigenverhoren plaatsgevonden in een zaak tegen NautaDutilh.
2.19.
Het gerechtshof Den Haag heeft in zijn beschikking van 17 maart 2023 geoordeeld dat 70% van de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak aan [eiser 3] en [eiser 1] vergoed dienen te worden.
2.20.
Op 21 juni 2023 heeft de rechtbank Amsterdam vonnis gewezen in de zaak tussen [eiser 1] en NautaDutilh. In het vonnis heeft de rechtbank Amsterdam voor recht verklaard dat NautaDutilh onrechtmatig jegens [eiser 1] heeft gehandeld.
schadebegroting
2.21.
[eisers] . heeft ten behoeve van de schadestaatprocedure een schadeberekening laten opstellen door EXIT/P B.V. In haar schaderapport d.d. 7 december 2024 (hierna: het schaderapport) heeft EXIT/P B.V. de schade van ieder van eisers begroot. In totaal komt deze begroting van de gezamenlijke schade neer op een bedrag van € 8.711.397,00 + P.M., inclusief wettelijke rente.
2.22.
Dit bedrag is bestaat uit de volgende schadeposten:
Schadepost: Totaal:
A. Belastingschade € 582.730,=
B. Betalingskorting en bankkosten € 1.400.748,=
C. Gemiste waardestijging bedrijfspand € 3.132.954,=
D. Waardeverlies onderneming € 2.351.689,=
E. Inkomensverlies en gemiste waarde privéwoning € 169.741,=
F. Kosten adviseurs/uren € 1.073.535,=
2.23.
Baker Tilly heeft op grond van het vonnis van de rechtbank Rotterdam in de hoofdzaak een bedrag van € 200.000,= als voorschot op de schade aan [eisers] . betaald.

3.Het geschil

3.1.
De vordering van [eisers] . luidt - zakelijk weergegeven - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. De omvang van de schade te begroten en vast te stellen die Baker Tilly aan [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] dient te vergoeden en Baker Tilly te veroordelen om aan hen die schadevergoeding te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van de verschuldigdheid daarvan en tot aan het moment van volledige betaling;
II. Baker Tilly te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over die kosten vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van volledige voldoening.
3.2.
Het verweer van Baker Tilly strekt primair tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] ., met veroordeling van [eisers] . in de kosten van deze procedure, met inbegrip van de nakosten, met de bepaling dat deze kosten binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het einde van voormelde termijn van veertien dagen, tot aan de dag der algehele voldoening en subsidiair, bij toewijzing van enige vordering van [eisers] ., het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, dan wel [eisers] . te veroordelen zekerheid te stellen voor het deel dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

4.De beoordeling

schadestaatprocedure - juridisch kader
4.1.
Het nu voorliggende geschil is een schadestaatprocedure, als vervolg op de in r.o. 2.14 en 2.15 genoemde tussen partijen in de hoofdzaak gevoerde procedure en het daarin gewezen (eind)vonnis en (eind)arrest.
4.2.
Uitgangspunt is dat de in de hoofdzaak door het gerechtshof gevelde oordelen, waarin de oordelen van de rechtbank zijn bevestigd, voor partijen bindend zijn, nu van het arrest van het gerechtshof geen cassatie is ingesteld.
terugkomen van oordeel eigen schuld
4.3.
[eisers] . heeft aangevoerd dat de rechtbank in deze zaak dient terug te komen van het oordeel van het gerechtshof Den Bosch dat sprake is van 50% eigen schuld aan de zijde van [eisers] . Daartoe stelt [eisers] . het volgende. Het oordeel ten aanzien van de eigen schuld in het arrest heeft geen gezag van gewijsde, maar dient te worden aangemerkt als een bindende eindbeslissing, omdat de hoofdprocedure geen afzonderlijk geding is en tezamen met de schadestaatprocedure als één procedure moet worden beschouwd. Daarbij komt dat het oordeel van het gerechtshof over de eigen schuld niet in het dictum is vervat, maar in het lichaam van het arrest en dat het door [eisers] . gedane beroep op de billijkheidscorrectie daarin zonder enige motivering is verworpen.
De rechter kan terugkomen van een bindende eindbeslissing als die berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Daarvan is in dit geval sprake gelet op nieuwe feiten en de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten. Dat betreft:
- de in maart en april 2023 gehouden voorlopige getuigenverhoren tegen NautaDutilh;
- de wijze waarop het onderzoeksrapport dat NautaDutilh in opdracht van Baker Tilly heeft opgesteld tot stand is gekomen;
- de tuchtrechtelijke veroordelingen in juli 2022 (Raad van Discipline) en juni 2023 (Hof van Discipline) van de advocaat-onderzoekers die dat onderzoeksrapport hebben opgesteld
- het oordeel van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2023 dat de advocaat-onderzoekers onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eisers] .
- het sepot van de strafzaak tegen [eiser 1] en het oordeel van het gerechtshof Amsterdam van 17 maart 2023 dat een billijkheidsoordeel ertoe moet leiden dat het Openbaar ministerie aan [eiser 1] 70% van de kosten voor rechtsbijstand inzake de strafvervolging moet vergoeden, waarbij expliciet wordt gewezen op de allesbepalende rol die de advocaten van Baker Tilly hadden gespeeld in de strafvervolging van [eiser 1] .
4.4.
Baker Tilly heeft aangevoerd dat partijen in deze procedure zijn gebonden aan de feiten en oordelen in het arrest 25 januari 2022. [eisers] . heeft in hoger beroep niet geklaagd tegen de feitenvaststelling van de rechtbank in het vonnis van 29 november 2017. Voorts heeft [eisers] . geen cassatieberoep ingesteld. Het arrest is daarmee in kracht van gewijsde gegaan en heeft gezag van gewijsde. Baker Tilly heeft voorts betwist dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of hier sprake is een bindende eindbeslissing in de hoofdzaak waarvan de rechtbank in de schadestaatprocedure terug kan komen. Zelfs namelijk als sprake zou zijn van een bindende eindbeslissing waarvan de rechtbank zou kunnen terugkomen, dan geldt dat [eisers] . onvoldoende (nieuwe) feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de rechtbank van de bindende eindbeslissing dient terug te komen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.6.
Het oordeel van het gerechtshof dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser 1] is gebaseerd enerzijds op de omstandigheid dat Baker Tilly [eiser 1] er in haar advies over het wel of niet kiezen voor 'de Cyprusroute' meteen nadrukkelijk voor heeft gewaarschuwd dat daaraan risico's waren verbonden, namelijk dat deze fiscale structuur niet geoorloofd zou worden bevonden, en anderzijds dat [eiser 1] kundig genoeg moet worden geacht om die waarschuwingen destijds begrepen te hebben. De eigen schuld van [eiser 1] ligt derhalve helemaal in het begin van het traject. Het latere handelen of nalaten van Baker Tilly of NautaDutilh doet daar in beginsel niet aan af, zelfs al is dat gekwalificeerd als toerekenbaar tekortschieten/onrechtmatig handelen. Bovendien zijn de door [eisers] . aangevoerde feiten en omstandigheden deels een nadere uitwerking en detaillering van dat handelen of nalaten. Dit latere handelen of nalaten was aan het gerechtshof Den Bosch ten tijde van het wijzen van het arrest van 25 januari 2022 al bekend.
Voor zover [eisers] . bedoelt dat voor de billijkheidscorrectie het nadien gevolgde sepot in de strafzaak en de beslissing over de kosten van bijstand in de strafzaak mee te wegen omstandigheden zijn faalt dat argument, omdat de strafzaak in onvoldoende nauw verband staat met de hier aan de orde zijnde civielrechtelijke aansprakelijkheid.
4.7.
De rol van het NautaDutilh-rapport en de oordelen over de daarbij betrokken advocaten kunnen ertoe leiden dat [eisers] . niet alleen Baker Tilly maar ook NautaDutilh aansprakelijk kan houden voor zijn schade en/of kunnen van invloed zijn op de onderlinge verdeling tussen Baker Tilly en NautaDutilh ex art 6:102 dan Pro wel 6:99 BW. Verder staat het oordeel van het hof in de hoofdzaak, over de aansprakelijkheid van Baker Tilly jegens [eisers] . en de eigen schuld van [eiser 1] in dat verband, los van de vraag in hoeverre NautaDutilh jegens [eisers] . aansprakelijk is.
Dit zijn daarom geen omstandigheden die nu moeten leiden tot toepassing van de billijkheidscorrectie in deze procedure.
wijze van schadebegroting
4.8.
[eisers] . heeft zijn schade als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten/onrechtmatige handelen van Baker Tilly begroot op een bedrag van € 8.711.397,00 + P.M., inclusief wettelijke rente, gebaseerd op het rapport van EXIT/P B.V.
4.9.
Uitgangspunt bij de schadebegroting is dat [eisers] . in de toestand wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien het (in de hoofdzaak vastgestelde) toerekenbaar tekortschieten/onrechtmatig handelen (de schadeveroorzakende gebeurtenis) zou zijn uitgebleven. Dit toerekenbaar tekortschieten/onrechtmatig handelen betreft – samengevat – het adviseren en implementeren door Baker Tilly van de fiscale trustconstructie aangeduid als de 'Cyprus-route'. Bij het bepalen van de hypothetische situatie zonder onrechtmatig handelen gaat het erom wat zich feitelijk zou hebben voorgedaan zonder dat toerekenbaar tekortschieten/onrechtmatig handelen, waarbij dus een (reële) inschatting moet worden gemaakt van wat er concreet zou zijn gebeurd als dat tekortschieten/handelen niet had plaatsgevonden.
4.10.
Nu daarover niets anders is gesteld of gebleken, gaat de rechtbank ervan uit dat in geval Baker Tilly aan [eisers] . niet de 'Cyprus-route' had geadviseerd, de onderneming (en [eiser 1] ) onder de Nederlandse belastingwetten zou(den) zijn gevallen.
4.11.
Teneinde de door [eisers] . geleden schade te kunnen begroten dient dus de situatie waarin gebruik is gemaakt van de 'Cyprusroute' te worden vergeleken met de situatie dat de onderneming en [eiser 1] vennootschaps- respectievelijk inkomstenbelasting hadden afgedragen volgens de toepasselijke Nederlandse belastingwetgeving.
4.12.
Nu EXIT/P B.V. deze wijze van vergelijking in haar rapport niet kenbaar tot uitgangspunt neemt, kan dit rapport niet gebruikt worden als basis voor de schadebegroting. Daar komt overigens bij dat dit rapport heeft te gelden als partijrapport en dat de inhoud van dit rapport gemotiveerd door Baker Tilly is weersproken.
4.13.
Voor een vaststelling van de door [eisers] . geleden schade zal hij de rechtbank moeten voorzien van een uitgewerkte en onderbouwde vermogensvergelijking tussen de werkelijke situatie waarin met de 'Cyprusroute' is gewerkt en de hypothetische situatie dat [eiser 3] op de voor een dergelijke onderneming gebruikelijke wijze onder Nederlandse belastingwetgeving zou zijn gevallen. [eisers] . dient de voor dat hypothetische scenario relevante feiten voldoende aannemelijk te maken, aan de hand van onderbouwing met stukken en/of een (partij)deskundigenrapport. Voor dit hypothetische scenario is in het bijzonder, maar niet uitsluitend, van belang hoe de door [eiser 3] verworven merkenrechten onder de Nederlandse belastingwetgeving zouden zijn behandeld. Deze vergelijking dient plaats te vinden over de gehele periode waarin de 'Cyprusroute' voor de belastingplicht van [eisers] . een rol heeft gespeeld.
4.14.
Uit deze vermogensvergelijking dienen dan de aan het tekortschieten/onrechtmatige handelen toe te rekenen schadeposten van onderscheidene eisers te volgen.
4.15.
Voorts dient tegen vorenstaande achtergrond concreet inzicht te worden verstrekt in de effecten van de opgetreden schadebeperkende elementen. Daar verstaat de rechtbank in ieder geval onder de schikking tussen [eisers] . en de Belastingdienst in 2016 en de omstandigheid dat [eisers] . de onderneming in behangartikelen, met het merkgebruik, na 2016 heeft kunnen voortzetten. Mogelijk is de schade als gevolg daarvan minder opgelopen, het kan ook zijn dat vanaf enig moment na 2016 het werkelijke en het hypothetische scenario niet langer van elkaar verschillen. [eisers] . dient ook op dat punt duidelijkheid te verschaffen.
Uiteraard dient ook het voorschot verrekend te worden.
4.16.
De rechtbank merkt in verband met de opstelling van de schadeposten van [eisers] . nu reeds op dat volgens vaste jurisprudentie een tuchtrechtelijke procedure niet kan worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van de aansprakelijkheid, zodat niet kan worden gezegd dat de kosten daarvan redelijke kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder Pro b BW.
verdere verloop van de procedure
4.17.
De zaak zal naar de na te melden roldatum worden verwezen voor een conclusie als hiervoor bedoeld aan de zijde van [eisers] ., waarop Baker Tilly zal mogen reageren. De rechtbank sluit niet uit dat zij in een later stadium van deze procedure behoefte zal hebben aan deskundige voorlichting omtrent de schadeposten.
4.18.
Iedere verdere beslissing in afwachting van de conclusiewisseling wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van
woensdag 12 augustus 2026voor een conclusie na tussenvonnis aan de zijde van [eisers] . als bedoeld onder 4.13 - 4.15, waarop Baker Tilly zal mogen reageren,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. Th. Veling en mr. E.J.W.M. van Niekerk en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
[2111/106/1980/3946]