Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1],
1.De procedure
- de dagvaarding van 23 oktober 2025, met bijlagen;
- het tussenvonnis van 10 december 2025;
- de akte van Hef Wonen van 19 december 2025, met bijlagen.
2.De beoordeling
€ 988,56 +
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een vordering van Stichting Hef Wonen tegen huurders wegens niet-betaalde huur vanaf november 2022 tot en met december 2025. Hef Wonen vordert betaling van een huurachterstand van €5.562,93, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten.
De huurders verschenen niet in de procedure, waarna verstek werd verleend. De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand en rente verschuldigd zijn, maar wijst de incassokosten af omdat de huurovereenkomst een oneerlijke bepaling bevat die afwijkt van de wettelijke regeling. Tevens vernietigt de rechter het opslagbeding bovenop de CPI-indexering, omdat dit oneerlijk is.
De huurverhogingen zelf zijn volgens de rechter terecht en conform CPI-indexering. De huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €6.551,49 inclusief rente en tot vergoeding van proceskosten van €1.194,81. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Huurders worden veroordeeld tot betaling van huurachterstand en rente, incassokosten worden afgewezen en opslagbeding vernietigd.