ECLI:NL:RBROT:2026:8751

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/3506
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 6:22 AwbArt. 2.1 WhtArt. 8:42 AwbArt. 8:45 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit compensatie toeslagen wegens motiveringsgebrek zonder nadeel voor eiseres

Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, kreeg compensatie voor de jaren 2008 en 2009 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Zij stelde dat zij ook recht had op compensatie voor 2007, 2010 en 2011 vanwege institutionele vooringenomenheid en stopzetting van de kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen wees dit af in het bestreden besluit van 26 maart 2025.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd omdat het verwijst naar onjuiste informatie uit het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie over de stopzetting van de toeslag in 2009. Dit motiveringsgebrek maakt het beroep gegrond. Echter, eiseres is door dit gebrek niet benadeeld omdat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007, 2010 en 2011, aangezien er geen recht op kinderopvangtoeslag bestond voor die jaren.

De rechtbank wijst erop dat de compensatieregeling niet bedoeld is om administratieve fouten te herstellen en dat het ontbreken van geregistreerde kinderopvang in 2010 en 2011 evident maakt dat er geen recht op toeslag was. De Dienst Toeslagen heeft voldoende stukken overgelegd en er is geen aanleiding om de procedure aan te houden voor aanvullende documenten. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; Dienst Toeslagen moet griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3506

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) compensatie gekregen voor de toeslagjaren 2008 en 2009. Het beroep leidt niet tot compensatie voor meer toeslagjaren. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit gebrekkig is nu daarin ter motivering is verwezen naar onjuiste informatie in het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie. Eiseres is door dit gebrek echter niet benadeeld. Het beroep is vanwege het motiveringsgebrek gegrond en de Dienst Toeslagen dient griffierecht en proceskosten aan eiseres te vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 20 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres compensatie toegekend op grond van de Wht voor een bedrag van € 64.056,-.
2.1.
Met het besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 maart 2023 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Bij brief van 8 april 2026 heeft eiser onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam [1] de rechtbank verzocht om het beroep kennelijk gegrond te verklaren en terug te verwijzen naar de bezwaarfase. De rechtbank heeft partijen laten weten dat de zitting doorgang zal vinden. Eiser heeft een brief van 8 mei 2026 met ‘punten voor de zitting’ ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft drie kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 1999, [geboortedatum 2] 2004 en [geboortedatum 3] 2013. Op 6 april 2021 heeft zij een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht.
3.1.
Met het besluit van 20 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2007 tot en met 2019 beoordeeld en aan eiseres € 64.056,- compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008 en 2009. Voor de jaren 2007 en 2010 tot en met 2019 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie. Voor de jaren 2007, 2014, 2017, 2018 en 2019 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat geen neerwaartse bijstellingen van het recht op kinderopvangtoeslag hebben plaatsgevonden. Voor de jaren 2010 en 2011 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat er -na de stopzetting van de kinderopvangtoeslag op 5 maart 2009- geen aanvraag voor kinderopvangtoeslag meer is gedaan en er ook geen aanwijzingen zijn dat eiseres in die jaren kinderopvang heeft afgenomen. Voor toeslagjaren 2012, 2013, 2015 en 2016 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat het recht op kinderopvangtoeslag is bijgesteld vanwege reguliere wijzigingen in de aanvraag. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij de vaststellingen in het besluit van 20 maart 2023 gebleven.
3.2.
De toegekende compensatie over de jaren 2008, 2009, 2012 en 2013 tot en met 2019 is thans niet meer in geschil. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er over het jaar 2007 ten onrechte geen compensatie is toegekend, omdat eiseres in dat jaar eveneens institutioneel vooringenomen is behandeld, erin bestaande dat er systematisch te weinig kinderopvangtoeslag is toegekend. Daarnaast voert eiseres aan dat zij recht heeft op compensatie over de jaren 2010 en 2011 omdat de kinderopvangtoeslag niet is gecontinueerd.
Heeft eiseres recht op compensatie omdat er fouten zouden zijn gemaakt met de vaststelling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag voor jaar 2007?
3.3.
Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld door structurele en systematische sturing op verlaagde toekenning van de kinderopvangtoeslag. In het onderhavige geval geldt dat voor toeslagjaar 2007 een te laag bedrag aan kinderopvangtoeslag is toegekend. Eiseres heeft de kinderopvangtoeslag nagerekend door de opvangkosten te vermenigvuldigen met het percentage waarmee moet worden gerekend bij zijn toetsingsinkomen. Zij stelt dat € 2.479,94 te weinig is toegekend.
3.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen recht op compensatie omdat er een te laag bedrag aan kinderopvangtoeslag zou zijn toegekend. De herstelregelingen zijn niet bedoeld om administratieve fouten te herstellen die mogelijk in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag zijn gemaakt. Eiseres heeft ook niet onderbouwd waaruit haar conclusie volgt dat er sprake was van een structurele en systematische sturing op verlaagde toekenning van de kinderopvangtoeslag.
Heeft eiseres recht op compensatie voor de jaren 2010 en 2011 omdat de kinderopvangtoeslag niet automatisch is gecontinueerd?
4. Eiseres voert aan dat zij recht heeft op compensatie omdat de kinderopvangtoeslag niet automatisch is gecontinueerd naar toeslagjaren 2010 en 2011 als gevolg van een stopzetting van de kinderopvangtoeslag op 5 maart 2009. Eiseres had in 2009 wel recht op kinderopvangtoeslag, omdat zij een opleiding volgde en er kinderopvang is afgenomen voor het gehele jaar. Het College voor de rechten van de mens (CRM) heeft op 25 juli 2025 (in een zaak tussen deze partijen) geoordeeld dat de Dienst Toeslagen jegens eiseres verboden indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van ras door in 2010 en 2011 bij het toezicht selectiecode 2001 toe te passen. Eiseres vraagt zich af hoe de stelling van de Dienst Toeslagen, dat de kinderopvangtoeslag op 5 maart 2009 is gestopt en er daarna geen kinderopvangtoeslag meer is aangevraagd, zich verhoudt tot dit oordeel van het CRM.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het bestreden besluit niet duidelijk maakt op welke grond eiseres over het jaar 2009 is gecompenseerd. In de beschouwing van 22 juli 2024 ten aanzien van de bezwaarprocedure staat dat eiseres de kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 op 11 mei 2009 zelf heeft stopgezet. De bezwaarschriftenadviescommissie heeft dit standpunt overgenomen in het advies van 5 maart 2025, waar de Dienst Toeslagen ter motivering van het bestreden besluit naar heeft verwezen. In het door eiseres overgelegde oordeel van het CRM staat dat de Dienst Toeslagen juist heeft verklaard dat de Dienst Toeslagen -zonder voorafgaande uitvraag bij eiseres- de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet, hetgeen vooringenomen was. Omdat het bestreden besluit hierover geen duidelijkheid geeft, terwijl dit aspect wél van belang is voor het eventuele recht van eiseres op compensatie voor volgende jaren, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, wat een gebrek oplevert. Eiseres heeft daarom het beroep moeten instellen. Het beroep is daarom al gegrond.
4.2.
Voor de beoordeling van vraag of eiseres over de jaren 2010 en 2011 recht heeft op compensatie, is het volgende van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. [2] De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn. [3] Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind waarvoor toeslag is aangevraagd niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens, of in het geheel geen opvang heeft genoten. [4]
4.3.
De kinderopvangtoeslag is met de beschikking van 11 mei 2009 met ingang van 5 maart 2009 stopgezet terwijl eiseres voor dit gehele jaar kinderopvang heeft afgenomen. Die stopzetting is een vooringenomen handeling geweest en heeft tot gevolg gehad dat de kinderopvangtoeslag niet automatisch is gecontinueerd naar de jaren 2010 en 2011. De laatste uitbetaling van de kinderopvangtoeslag vond namelijk plaats op 14 april 2009 voor de periode mei 2009. Vanaf juni 2009 is er dus geen kinderopvangtoeslag meer betaald waardoor eiseres de kinderopvang vanaf dat moment zelf moest bekostigen. Het is aannemelijk dat dit, zoals eiseres ook op de zitting heeft verklaard, zodanig drukte op haar financiële situatie dat zij in de jaren 2010 en 2011 geen kinderopvang meer kon afnemen en dat zij daardoor ook in die jaren schade heeft geleden. Dit terwijl eiseres, zoals ook blijkt uit het dossier, in de jaren 2010 en 2011 stond ingeschreven voor een opleiding waardoor haar dochter regelmatig moest oppassen. Tegelijkertijd constateert de rechtbank dat, omdat eiseres geen geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen in de jaren 2010 en 2011, evident geen recht op kinderopvangtoeslag heeft gehad voor die jaren. Daarom heeft de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie aan eiseres toegekend voor de toeslagjaren 2010 en 2011.
4.4.
De rechtbank merkt op dat als de werkelijke schade hoger is dan het compensatiebedrag dat is toegekend op grond van artikel 2.3, eerste tot en met het zevende lid, van de Wht, eiseres een aanvraag kan doen om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. [5] In dat kader is voor eiseres van belang dat vast komt te staan hoe de Dienst Toeslagen het recht op kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2009 heeft vastgesteld. Op basis van de huidige stukken kan dat niet worden vastgesteld, omdat onder meer het SAS-rapport, gegevens uit de KOI-viewer over 2009 en andere gegevens van de kinderopvanginstelling ontbreken. De rechtbank gaat ervan uit dat de Dienst Toeslagen deze gegevens alsnog aan eiseres overlegt, zodat zij de gebeurtenissen met betrekking tot jaar 2009 in kaart kan brengen ten behoeve van de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
Heeft de Dienst Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
5. Eiseres betoogt verder dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Het ouderdossier is niet overgelegd, waarvan in ieder geval het zogeheten SAS-rapport en het document ‘afgehandelde zaken’ relevant zijn voor de beoordeling van het beroep. De onderliggende stukken die zien op het onderzoek naar vermelding in de Fraudesignaleringsvoorziening (FSV), het onderzoek naar het recht op een O/GS-tegemoetkoming en het onderzoek naar discriminatie zijn niet overgelegd, terwijl de rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld [6] dat in ieder geval de stukken die betrekking hebben op de FSV en op O/GS op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Verder is bekend geworden dat er een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten en moet de Dienst Toeslagen worden opgedragen de stukken waarin eiseres voorkomt, over te leggen. Eiseres heeft tot slot verzocht de Dienst Toeslagen op te dragen zijn persoonlijke dossier over te leggen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag.
5.1.
De rechtbank begrijpt het verzoek van eiseres als een verzoek aan de rechtbank om gebruik te maken van haar bevoegdheid een partij te verzoeken bepaalde stukken in te zenden. [7] De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding, omdat de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken in deze procedure al heeft overgelegd. [8] Voor het opvragen van stukken uit de FSV is geen aanleiding omdat niet is gebleken dat er een relatie is met de toekenning van kinderopvangtoeslag. Voor het opvragen van O/GS-stukken bestaat geen aanleiding nu niet is gesteld dat eiseres een persoonlijke betalingsregeling heeft aangevraagd.
5.2.
Tenslotte heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat er in de datakluis mogelijk stukken zitten die een ander licht op de zaak zouden kunnen werpen. Ter zitting is besproken dat er op dit moment nog geen duidelijkheid is over de aard van de stukken in de datakluis en dat het onderzoek daarnaar nog loopt. De rechtbank ziet hier nu geen aanleiding om de zaak aan te houden, nu door de staatssecretaris van Financiën in de brief van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer is toegezegd dat er zorg zal worden gedragen voor transparantie en openheid. In een nieuwsbericht van 16 april 2026 op de website van Dienst Toeslagen is daaraan toegevoegd dat er in het geval dat bij het doorzoeken van de datakluis alsnog nieuwe informatie naar voren zou komen die in het voordeel van de gedupeerde ouder zou uitpakken, er maatregelen zullen worden genomen om dat te herstellen. Tijdens de zitting is door de Dienst Toeslagen een uitlating in dezelfde lijn gedaan.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Vanwege hetgeen de rechtbank in 4.1 heeft overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 7:12 van Pro de Awb. Eiseres heeft door het gebrek geen nadeel geleden, omdat de uitkomst in deze procedure niet anders wordt. Eiseres heeft geen recht op compensatie over de jaren 2007 en 2010-2011. Daarom passeert de rechtbank het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. De Dienst Toeslagen dient wel het griffierrecht aan eiseres te vergoeden. Ook ziet de rechtbank aanleiding de Dienst Toeslagen te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 maart 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit van 26 maart 2025 in stand blijven;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
De rechter is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
2.Artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wht.
3.Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
5.Artikel 2.1, derde lid, van de Wht.
6.Rechtbank Amsterdam 2 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
7.Artikel 8:45, eerste lid, van de Awb.
8.Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.