ECLI:NL:RBROT:2026:8820

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
12142288 CV EXPL 26-7170
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230v BWArt. 6:29 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting kinderopvangfacturen deels verminderd wegens schending informatieverplichtingen

Eiseres, een kinderopvangorganisatie, vordert betaling van achterstallige facturen van in totaal €2.911,41 van gedaagde 1 en gedaagde 2, die een overeenkomst met haar zouden zijn aangegaan. Gedaagde 1 erkent de betalingsachterstand maar vraagt uitstel vanwege financiële problemen en betwist dat gedaagde 2 aansprakelijk is.

De kantonrechter wijst de vordering tegen gedaagde 2 af omdat deze de overeenkomst niet heeft ondertekend en er geen concrete feiten zijn die hem als contractspartij aanwijzen. Gedaagde 1 wordt veroordeeld tot betaling van 80% van de facturen, omdat eiseres niet aan alle essentiële informatieverplichtingen heeft voldaan, met name omtrent het ontbindingsrecht bij afstandscontracten.

De rechter past de sanctierichtlijn toe en vermindert de betalingsverplichting met 20% wegens twee ernstige schendingen van informatieverplichtingen. Daarnaast wordt gedaagde 1 veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Proceskosten komen eveneens voor haar rekening. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde 1 moet 80% van de achterstallige facturen met rente en kosten betalen, vordering tegen gedaagde 2 wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12142288 CV EXPL 26-7170
datum uitspraak: 10 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] V.O.F.,
vestigingsplaats: Spijkenisse,
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert,
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 9 maart 2026, met bijlagen;
  • het antwoord van [gedaagde 1] ;
  • de repliek met akte rectificatie partijaanduiding.
1.2.
De kantonrechter heeft [gedaagde 1] de kans gegeven om te reageren op de repliek, maar dat heeft zij niet gedaan.
1.3.
[gedaagde 2] is niet in de procedure verschenen. Tegen hem is verstek verleend. Omdat [gedaagde 1] wél is verschenen, wordt één vonnis gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (artikel 140 lid 3 Rv Pro).

2.De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?
2.1.
Volgens [eiseres] zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een overeenkomst aangegaan op grond waarvan [eiseres] heeft zorggedragen voor de opvang van hun kinderen. Daarvoor heeft [eiseres] facturen gestuurd, maar die zijn niet allemaal betaald. Daarom eist [eiseres] in deze procedure dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld de achterstallige facturen van € 2.911,41, met rente en buitengerechtelijke kosten, aan haar te betalen.
2.2.
[gedaagde 1] heeft niet betwist dat er een betalingsachterstand is, maar voert aan dat deze is ontstaan doordat zij in ernstige financiële problemen verkeerde. Zij wil graag uitstel van de procedure, zodat er een betalingsregeling kan worden getroffen met haar budgetcoach. Daarnaast voert zij aan dat de overeenkomst alleen met haar is gesloten en ook alleen door haar – en níet door [gedaagde 2] – is ondertekend.
2.3.
De kantonrechter bepaalt dat [gedaagde 1] de achterstallige facturen, met rente en buitengerechtelijke kosten, moet betalen, maar vermindert de betalingsverplichting van [gedaagde 1] met 20%. De eis tegen [gedaagde 2] wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
De kantonrechter staat het verzoek tot rectificatie van de partijaanduiding toe
2.4.
[eiseres] heeft bij repliek medegedeeld dat er sprake is van een kennelijke vergissing in de dagvaarding, omdat in plaats van ‘ [eiseres] V.O.F.’ als eisende partij is vermeld ‘Stichting [eiseres] ’. Zij heeft daarom verzocht dit te mogen rectificeren en de procedure voort te zetten met ‘ [eiseres] V.O.F. als eisende partij.
2.5.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een vergissing in de partijaanduiding door een rectificatie worden hersteld indien (a) de vergissing onder de gegeven omstandigheden voor de wederpartij kenbaar was, (b) de wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging is geschaad, en (c) de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden [1] . Naar het oordeel van de kantonrechter is aan deze voorwaarden voldaan. Daarbij is vooral van belang dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door de vergissing en de rectificatie niet op enige wijze zijn benadeeld of in hun verdediging zijn geschaad. Uit het antwoord van [gedaagde 1] blijkt immers dat er aan haar zijde geen verwarring bestond over de inhoud, grondslag en omvang van de eis, waartegen zij zich moest verweren. Zij heeft bovendien de gelegenheid gekregen op de repliek – en het verzoek tot rectificatie van de partijaanduiding – te reageren, maar heeft dat niet meer gedaan en heeft dus ook geen bezwaar tegen het verzoek gemaakt.
2.6.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter het verzoek tot rectificatie toestaat, zodat ‘ [eiseres] V.O.F.’ in deze procedure als eisende partij zal worden aangemerkt.
De eis tegen [gedaagde 2] wordt afgewezen
2.7.
[gedaagde 1] heeft aangevoerd dat alleen zij de overeenkomst met [eiseres] is aangegaan en dat haar partner, [gedaagde 2] , de overeenkomst niet heeft ondertekend. [eiseres] heeft bij repliek alleen gesteld dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] als contractspartij op de overeenkomst vermeld staan en daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn.
2.8.
[eiseres] heeft niet betwist dat [gedaagde 2] de overeenkomst niet heeft ondertekend. Het enkele feit dat zijn naam wel in de overeenkomst staat vermeld, is – zonder dat hij die heeft getekend – niet voldoende om aan te kunnen nemen dat ook met [gedaagde 2] een overeenkomst tot stand is gekomen. [eiseres] heeft verder geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde 2] wel als contractspartij kan worden aangemerkt. Daarom wordt de eis, uitsluitend voor zover deze gericht is tegen [gedaagde 2] , afgewezen.
[gedaagde 1] moet de achterstallige facturen betalen
2.9.
[gedaagde 1] heeft de door [eiseres] gestelde betalingsachterstand niet betwist. Dat betekent dat zij die achterstand in beginsel moet betalen. Dat de achterstand is ontstaan doordat zij in zware financiële problemen is geraakt, is uiteraard zeer vervelend voor [gedaagde 1] , maar dat leidt er niet toe dat zij de achterstallige facturen niet alsnog hoeft te betalen. De genoemde persoonlijke omstandigheden kan zij dan ook niet aan [eiseres] tegenwerpen en deze geven evenmin aanleiding om de procedure uit te stellen.
2.10.
[eiseres] heeft onbetwist gesteld dat de achterstand € 2.911,41 bedraagt. Hoewel [gedaagde 1] tegen de hoogte van dat bedrag geen verweer heeft gevoerd, wijst de kantonrechter niet het volledige bedrag toe. Hierna wordt uitgelegd waarom niet.
[eiseres] heeft niet aan al haar informatieverplichtingen voldaan
2.11.
De overeenkomst voor kinderopvang is gesloten op afstand, namelijk via de website van [eiseres] . Bij of voorafgaand aan het sluiten van een dergelijke overeenkomst moet de handelaar bepaalde informatie aan de consument verstrekken1 en deze informatie bevestigen op een duurzame gegevensdrager. Een duurzame gegevensdrager betekent dat de consument de informatie eenvoudig moet kunnen bewaren, zoals bijvoorbeeld een e-mail of een brief (artikel 230m e.v. BW).
2.12.
De Hoge Raad heeft beslist dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of aan een aantal informatieverplichtingen is voldaan. Het gaat dan om de informatie waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt als deze niet wordt gegeven en om de informatie waaraan extra gewicht moet worden toegekend. Dit zijn de essentiële informatieverplichtingen. De Hoge Raad heeft ook beslist dat de rechter de overeenkomst geheel of gedeeltelijk moet vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n verplichting [2] .
2.13.
De rechtbanken hebben naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad voor de schending van de essentiële informatieverplichtingen een sanctierichtlijn opgesteld. Deze sanctierichtlijn houdt samengevat in dat de betalingsverplichting wordt verminderd met 20% bij maximaal drie voldoende ernstige schendingen en met 40% bij meer dan drie voldoende ernstige schendingen. Bij de precontractuele informatieverplichtingen geldt dat meerdere voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieverplichtingen die onder dezelfde letter van artikel 6:230m lid 1 BW vallen samen worden geteld als één schending. Eventuele schendingen van de verplichting om de informatie te bevestigen op een duurzame gegevensdrager worden gerekend als één schending.
2.14.
Hierna zal worden beoordeeld of aan de informatieverplichtingen is voldaan. Alleen als er sprake is van een voldoende ernstige schending van een informatieverplichting, zal die informatieverplichting hierna worden besproken. Voor zover dat in deze zaak aan de orde is zullen eerst de informatieverplichtingen met een specifieke sanctie worden beoordeeld. Daarna zullen de essentiële informatieverplichtingen zonder specifieke sanctie worden beoordeeld. Bij deze laatste categorie wordt steeds een onderscheid gemaakt tussen het verstrekken van de informatie bij of voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst en het bevestigen van de informatie op een duurzame gegevensdrager.
(i)
het ontbindingsrecht: bij of voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst
2.15.
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder h BW moet de consument erop worden gewezen dat hij het recht heeft om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden. Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is voldoende dat de consument erop wordt gewezen dat hij dit recht heeft. Niet voldoende is dat deze informatie ergens op de website staat. In dit geval is [gedaagde 1] niet op een voldoende duidelijke wijze gewezen op de informatie. De consument moet tijdens het bestelproces op dit recht worden gewezen, zonder dat hij zelf naar de informatie op zoek moet. [eiseres] heeft niet aangetoond dat aan deze informatieverplichting is voldaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat artikel 6:230m lid 1 onder h BW is geschonden.
(ii)
het ontbindingsrecht: bevestigen van de informatie op een duurzame gegevensdrager
2.16.
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder h in combinatie met artikel 6:230v lid 7 BW moet het recht van de consument om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden worden bevestigd op een duurzame gegevensdrager. Uit de tekst moet duidelijk blijken dat de consument het recht heeft te ontbinden, binnen welke termijn de consument mag ontbinden en op welke wijze de consument van het recht gebruik kan maken. Daarnaast moet het modelformulier worden bijgevoegd, eventueel in de vorm van een hyperlink die direct naar het formulier verwijst. [eiseres] heeft niet aan deze informatieverplichting voldaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat bij de bevestiging van de informatie artikel 6:230m lid 1 onder h BW is geschonden.
Conclusie: [gedaagde 1] moet de achterstallige facturen voor 80% betalen
2.17.
De kantonrechter zal op grond van de hiervoor vastgestelde schending van informatieverplichtingen de overeenkomst met toepassing van de sanctierichtlijn gedeeltelijk vernietigen, in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met 20%. Er is in dit geval namelijk sprake van twee voldoende ernstige schendingen.
2.18.
Het bovenstaande betekent dat [gedaagde 1] in totaal een bedrag van € 2.329,13 verschuldigd is (80% van € 2.911,41). [gedaagde 1] wordt veroordeeld dat bedrag aan [eiseres] te betalen.
[gedaagde 1] moet de rente betalen
2.19.
De rente wordt toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de datum van verzuim, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde 1] dat niet heeft betwist.
[gedaagde 1] moet € 349,37 aan buitengerechtelijke kosten betalen
2.20.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 349,37 toegewezen. Aan alle voorwaarden om een vergoeding voor deze kosten te krijgen is voldaan (artikel 6:96 BW Pro). Wel zijn de buitengerechtelijke incassokosten alleen berekend over het bedrag dat is toegewezen.
Er zijn geen oneerlijke bepalingen
2.21.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
De kantonrechter kan geen betalingsregeling in het vonnis opnemen
2.22.
Uit het antwoord leidt de kantonrechter af dat [gedaagde 1] een betalingsregeling wil treffen voor de openstaande vordering. De kantonrechter kan echter geen betalingsregeling vaststellen in dit vonnis. Daarvoor moet [eiseres] namelijk toestemming geven en dat heeft zij niet gedaan (artikel 6:29 BW Pro). [gedaagde 1] dan wel haar budgetcoach kan wel contact opnemen met de gemachtigde van [eiseres] om te vragen of [eiseres] alsnog een betalingsregeling wil afspreken.
[gedaagde 1] moet de proceskosten betalen
2.23.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] aan [eiseres] moet betalen op € 128,59 aan dagvaardingskosten, € 529,- aan griffierecht,
€ 506,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 253,-) en € 126,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.290,09. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.24.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde 1] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering tegen [gedaagde 2] af;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres] te betalen € 2.678,50 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 2.329,13 vanaf de datum waarop [gedaagde 1] met de betaling van de betreffende facturen in verzuim is tot de dag dat volledig is betaald;;
3.3.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.290,09;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
44487

Voetnoten

1.Hoge Raad 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765
2.Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677