ECLI:NL:RBROT:2026:8943

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
12222542 VV EXPL 26-267
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:225 BWArt. 6:119 BWArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruimingsvordering na opzegging huurovereenkomst door bewindvoerder

Tussen Stichting Woonplus en de onderbewindgestelde is een huurovereenkomst gesloten voor een woning. De goederen van de onderbewindgestelde zijn onder bewind gesteld, waardoor de bewindvoerder formeel partij is in deze procedure. Woonplus vordert ontruiming van de woning omdat de huurovereenkomst op 6 januari 2026 door de bewindvoerder is opgezegd en per 6 februari 2026 beëindigd zou zijn, maar de woning niet is verlaten.

Er bestaat een geschil over de bevoegdheid van de bewindvoerder om de huurovereenkomst op te zeggen, maar de kantonrechter laat dit in het midden. Woonplus mocht erop vertrouwen dat de bewindvoerder bevoegd was, mede omdat de opzegging in overleg met de onderbewindgestelde plaatsvond en er een aanbod voor een andere woning was gedaan. De kantonrechter acht het aannemelijk dat er geen huurovereenkomst meer bestaat en dat de onderbewindgestelde zonder recht of titel in de woning verblijft.

De ontruiming wordt toegewezen met een termijn van 14 dagen. De bewindvoerder moet een gebruiksvergoeding betalen vanaf 1 juni 2026 tot de ontruiming. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat de ontruiming ook zonder kan worden afgedwongen. De proceskosten worden aan de bewindvoerder opgelegd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ontruimingsvordering wordt toegewezen en de bewindvoerder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen 14 dagen en betaling van gebruiksvergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12222542 VV EXPL 26-267
datum uitspraak: 15 juni 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonplus Schiedam,
vestigingsplaats: Schiedam ,
eiseres,
gemachtigde: mr. M. Dibbets,
tegen
[bewindvoerder] B.V.in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[onderbewindgestelde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ Woonplus ’, ‘de bewindvoerder’ en ‘ [onderbewindgestelde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 19 mei 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 1 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig namens Woonplus [vertegenwoordiger 1] met de gemachtigde en [vertegenwoordiger 2] namens de bewindvoerder.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Tussen Woonplus en [onderbewindgestelde] is een huurovereenkomst gesloten voor de woning aan [adres] in [plaats 2] (hierna: de woning). Op 28 februari 2018 zijn de goederen van [onderbewindgestelde] onder bewind gesteld. Om die reden is de bewindvoerder in deze procedure de formele procespartij. Woonplus vordert nu de ontruiming van de woning. Volgens haar is namelijk de huurovereenkomst op 6 januari 2026 opgezegd, waardoor deze per 6 februari 2026 is beëindigd. [onderbewindgestelde] heeft de woning echter niet verlaten. De bewindvoerder verzet zich niet tegen een ontruiming van de woning, omdat zij met toestemming van [onderbewindgestelde] de huurovereenkomst heeft opgezegd.
2.2.
Over die opzegging is een verschil van mening ontstaan tussen de bewindvoerder en [onderbewindgestelde] . [onderbewindgestelde] heeft daarom als gemachtigde mr. D.R Changoer ingeschakeld, die toestemming had gevraagd en gekregen om haar in dit kort geding bij te staan.
Mr. Changoer heeft enkele uren voor de zitting om uitstel gevraagd. Dat uitstelverzoek is afgewezen. [onderbewindgestelde] of mr. Changoer zijn niet op de zitting verschenen.
2.3.
De kantonrechter wijst de gevorderde ontruiming toe. Hieraan wordt geen dwangsom verbonden. Verder moet de bewindvoerder een gebruiksvergoeding betalen. Hierna wordt dit toegelicht.
Kort geding
2.4.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vordering in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat
Woonplus heeft bij toewijzing van de vordering worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor de bewindvoerder, althans [onderbewindgestelde] , als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Opzegging
2.5.
Op 6 januari 2026 heeft de bewindvoerder aan Woonplus geschreven:

Zoals hedenochtend besproken met [onderbewindgestelde] willen wij de huur opzeggen van de woning aan [adres] te [plaats 2] .”
2.6.
Aan deze opzegging is het een en ander vooraf gegaan. In september 2025 heeft Woonplus signalen gekregen dat in de woning mogelijk andere mensen wonen. Woonplus heeft daarna een aantal huisbezoeken afgelegd. In de woning trof zij een gezin uit de Antillen aan. De man verklaarde in de woning te verblijven met zijn vrouw en dochter. Hij heeft volgens Woonplus gezegd dat hij af en toe een beetje betaalt voor de woning. Woonplus heeft vervolgens [onderbewindgestelde] uitgenodigd voor een gesprek op kantoor. Volgens Woonplus gaf zij (uiteindelijk) toe dat de man eind 2024 bij haar is komen wonen. Op een later moment is zijn gezin gevolgd.
2.7.
In december 2025 is er nog een gesprek geweest tussen Woonplus en [onderbewindgestelde] . [onderbewindgestelde] verklaarde toen, aldus Woonplus , dat zij veel bij haar dochter is maar dat zij in de woning een eigen slaapkamer heeft. Woonplus zegt dat zij [onderbewindgestelde] heeft laten weten dat zij de huurovereenkomst wil beëindigen omdat zij vindt dat [onderbewindgestelde] niet haar hoofdverblijf heeft in de woning. Woonplus heeft [onderbewindgestelde] een andere woning aangeboden. Het gaat om een seniorenwoning aan [straat] in [plaats 1] . [onderbewindgestelde] is daarna op vakantie naar Aruba gegaan. Woonplus en [onderbewindgestelde] hebben verder gecommuniceerd via Whatsapp. Op 2 januari 2026 heeft [onderbewindgestelde] aan Woonplus laten weten:
“Ik ben blij met het huis. Heb familie en vrienden verteld over het huis iedereen is blij voor mij fijne wknd’
2.8.
De bewindvoerder heeft vervolgens de huurovereenkomst opgezegd. [onderbewindgestelde] weigerde op 24 februari 2026 echter de huurovereenkomst voor de seniorenwoning aan [straat] te tekenen. De reden zou zijn dat haar inwonende 39-jarige zoon niet mee kan naar deze woning.
2.9.
Of de bewindvoerder daadwerkelijk toestemming (nodig) had van [onderbewindgestelde] om de huurovereenkomst op te zeggen, laat de kantonrechter in het midden. Woonplus mocht er in de gegeven omstandigheden op vertrouwen dat de bewindvoerder bevoegd was tot opzegging van de huurovereenkomst. De bewindvoerder schrijft in haar bericht van 6 januari 2026 dat zij in overleg met [onderbewindgestelde] de huur opzegt. Bovendien lag een opzegging van de huurovereenkomst in de lijn der verwachting. Woonplus heeft [onderbewindgestelde] geïnformeerd over haar wens de huurovereenkomst te willen beëindigen waarbij zij [onderbewindgestelde] een andere woning heeft aangeboden. [onderbewindgestelde] was enthousiast over dit aanbod, zo kan uit het hiervoor aangehaalde whatsappbericht worden afgeleid. Woonplus heeft hieruit mogen afleiden dat [onderbewindgestelde] de nieuwe woning wilde accepteren en dat de bestaande huurovereenkomst zou worden opgezegd. Woonplus hoefde dus niet verder na te gaan of al dan niet toestemming was vereist en verleend door [onderbewindgestelde] .
2.10.
Gelet op het voorgaande is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat er tussen Woonplus en [onderbewindgestelde] geen huurovereenkomst meer bestaat. Dat betekent dat zij nu zonder recht of titel in de woning verblijft. Woonplus heeft voldoende spoedeisend belang bij de vordering tot ontruiming. Zij kan immers nog steeds niet over de woning beschikken. De ontruiming wordt dan ook toegewezen. De ontruimingstermijn wordt op 14 dagen gesteld. Tot en met de dag van de ontruiming moet de bewindvoerder een gebruiksvergoeding van € 689,05 per maand, met de toegestane verhoging, betalen (artikel 7:225 BW Pro).
2.11.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Woonplus kan met deze uitspraak namelijk zelf een gedwongen ontruiming laten uitvoeren. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld die het nodig maken dat er daarnaast een extra prikkel voor de bewindvoerder, althans [onderbewindgestelde] , moet zijn om de woning te ontruimen.
Proceskosten
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van de bewindvoerder, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die de bewindvoerder aan Woonplus moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht,
€ 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.013,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen
2.13.
Het staat nog niet vast of er kosten gemaakt gaan worden voor een ontruiming door een deurwaarder en zo ja, hoe hoog die kosten zijn. Daarom worden er geen ontruimingskosten toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de bewindvoerder om binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis de woning aan [adres] in [plaats 2] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [onderbewindgestelde] bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Woonplus te stellen;
3.2.
veroordeelt de bewindvoerder om vanaf 1 juni 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Woonplus te betalen € 689,05 per maand, vermeerderd met de verhoging die is toegestaan;
3.3.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, die aan de kant van Woonplus worden begroot op € 1.013,02 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro
over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
540