ECLI:NL:RBROT:2026:8956

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/10/721843 / KG ZA 26-625
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 256 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot medewerking verkoop appartement wegens onvoldoende spoedeisend belang

Partijen waren samen eigenaar van een appartement, waarvan de relatie in 2009 eindigde. De man vordert dat de vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop en levering van het appartement, omdat hij niet langer hoofdelijk aansprakelijk wil zijn voor de hypotheekschuld en zijn aandeel in de overwaarde wil benutten.

De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. De onverdeeldheid duurt inmiddels bijna zeventien jaar, waarbij de vrouw alle lasten draagt. De man heeft niet voldoende feiten gesteld die het noodzakelijk maken om een voorlopige voorziening te treffen en de bodemprocedure niet af te wachten.

De belangenafweging weegt het belang van de vrouw om eerst een bodemprocedure af te wachten zwaarder dan het belang van de man om op korte termijn over zijn aandeel te beschikken. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vorderingen van de man tot medewerking aan verkoop van het appartement worden afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/721843 / KG ZA 26-625
Vonnis in kort geding van 21 juli 2026
in de zaak van
[de man],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. L.K. Tsui,
tegen
[de vrouw],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. S. Burger.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen hebben een relatie gehad en tijdens die relatie hebben zij samen een appartement gekocht. De relatie is rond augustus 2009 geëindigd, maar partijen zijn nog samen (in de verhouding 60-40) eigenaar van het appartement. De man wil niet langer hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hypotheekschuld die op het appartement rust en de overwaarde benutten. Daarom vordert hij in deze zaak – kort gezegd – dat de vrouw onder druk van een dwangsom wordt veroordeeld om mee te werken aan de verkoop en levering van het appartement aan een derde. De vrouw voert verweer. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 26 juni 2026, met bijlagen 1 tot en met 7;
  • de conclusie van antwoord, met bijlagen 1 tot en met 11;
  • de mondelinge behandeling op 7 juli 2026;
  • de pleitnota van mr. Tsui.

3.De beoordeling

De vorderingen zijn geschikt voor behandeling in een kort geding
3.1.
Het meest verstrekkende standpunt van de vrouw is dat de vorderingen niet geschikt zijn om in kort geding te worden behandeld. Dit betoog faalt. Op grond van vaste rechtspraak kan van ongeschiktheid van een zaak voor behandeling in een kort geding, zoals bedoeld in artikel 256 Rv Pro, slechts sprake zijn als (a) de feiten binnen het beperkte kader van het kort geding niet voldoende tot klaarheid zijn gebracht of (b) de rechter de gevolgen van een door hem te geven beslissing niet voldoende kan overzien. [1] Hiervan is in deze zaak geen sprake. De feiten waarop partijen zich beroepen, zijn voldoende duidelijk geworden. Daarnaast is geen sprake van een situatie waarin de gevolgen van de te nemen beslissing onvoldoende kunnen worden overzien. De voorzieningenrechter komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
De man heeft onvoldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen
3.2.
Eén van de vereisten om een vordering in een kort geding te kunnen toewijzen, is dat de partij die de vordering instelt voldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing daarvan. Het moet daarbij gaan om een situatie waarin, vanwege de feiten en omstandigheden van de zaak, het treffen van een onmiddellijke voorlopige voorziening noodzakelijk is en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man onvoldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft en dat die vorderingen alleen al om die reden moeten worden afgewezen. De voorzieningenrechter licht dit toe als volgt.
3.3.
Partijen zijn samen eigenaar van het appartement aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] ; de man voor 40% en de vrouw voor 60%. Sinds het einde van de relatie tussen partijen rond augustus 2009 bewoont de vrouw het appartement alleen, althans in ieder geval zonder de man. Zij heeft in die periode steeds alle lasten betaald. Er zijn inmiddels ruim vijftien jaren verstreken tot het moment dat de man de vrouw in maart 2025 heeft medegedeeld dat hij het appartement wil verkopen en vervolgens bijna nog een jaar totdat de man de vrouw heeft gesommeerd om haar medewerking te verlenen aan de verdeling van het appartement. Niet gesteld of gebleken is dat de man de vrouw in de tussentijd ook heeft verzocht c.q. gesommeerd om haar medewerking te verlenen aan verdeling.
3.4.
Hoewel aan de man kan worden toegegeven dat het uitgangspunt is dat van geen enkele deelgenoot kan worden gevergd om in een onverdeelde boedel te blijven en in kort gedingprocedures over het algemeen wordt aangenomen dat dit voldoende spoedeisend belang bij een vordering tot het verlenen van medewerking aan de verkoop en levering van een woning (of appartement) oplevert, ligt dit in deze zaak anders. Tegen de hiervoor in 3.2. geschetste achtergrond en dan met name het feit dat de onverdeeldheid inmiddels bijna zeventien jaren duurt terwijl de vrouw alle lasten draagt die samenhangen met het appartement, lag het in dit bijzondere geval op de weg van de man om feiten en omstandigheden te stellen (en, zo nodig, te onderbouwen) op grond waarvan tot de conclusie kan worden gekomen dat het treffen van een onmiddellijke voorlopige voorziening noodzakelijk is en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dat heeft de man echter niet, althans onvoldoende gedaan.
3.5.
De man heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat (i) hij concrete belangen heeft bij vrijmaking van zijn aandeel in de overwaarde van het appartement, (ii) hij al lange tijd voortdurend hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypotheekschuld die op het appartement rust, (iii) hij geen gebruik geniet van zijn aandeel in het appartement, (iv) hij maandelijks schade lijdt door gemist gebruiksgenot van het appartement en (v) zijn nieuwe partner heeft gezegd dat het zo niet langer kan en dat zij, met hem, een woning wil kopen. Geen van deze omstandigheden dwingt tot de conclusie dat de man voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft. De man heeft niet gesteld dat niet van hem gevergd kan worden nog wat langer in zijn huidige woning te blijven wonen, totdat een bodemprocedure is gevoerd over de verdeling van het appartement. Verder is de man al zo lang hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheekschuld die op het appartement rust, dat van de man uitleg mocht worden verwacht waarom dat nu niet langer van hem kan worden gevergd. De man heeft daar niets over gesteld, terwijl hij ook niet heeft weersproken dat de vrouw nog nooit een achterstand in de betaling van de rente over de hypotheekschuld heeft laten ontstaan (er is sprake van een aflossingsvrije hypotheekschuld). Ter zitting bevestigde hij dat hij in die periode ook nog nooit door een derde is benaderd in verband met een vordering die samenhangt met het appartement. Door de man is niet uitgelegd waarom hij schade lijdt door gemist gebruiksgenot van het appartement, terwijl de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij sinds het vertrek van de man uit het appartement alle aan het appartement verbonden eigenaars- en gebruikerslasten heeft betaald. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de waarde van het gemiste gebruiksgenot (ongeveer) gelijk is aan die lasten; dat hier iets anders geldt is gesteld noch gebleken. Ook de overige stellingen van de man leiden niet tot de conclusie dat hij voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft.
3.6.
Een belangenafweging leidt niet tot de conclusie dat toch aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de man wordt toegekomen. De vrouw woont inmiddels bijna zeventien jaren (alleen) in het appartement. Zij is inmiddels met pensioen en ontvangt enkel een AOW-uitkering. De vrouw wil het aandeel van de man in het appartement wel overnemen, maar kan dat alleen met financiële hulp (van bijvoorbeeld familie) en niet tegen de huidige marktwaarde van het appartement. Verdeling van het appartement op dit moment leidt er dan ook toe dat het appartement aan een derde moet worden verkocht en dat de vrouw het appartement moet verlaten. De vrouw heeft er echter belang bij om in een bodemprocedure eerst een oordeel te krijgen over de waarde waartegen het appartement tussen partijen moet worden verdeeld (de waarde op dit moment of de waarde op een moment in het verleden, want daar hebben partijen discussie over), om vervolgens te proberen het aandeel van de man in het appartement over te nemen vóórdat het appartement eventueel aan een derde wordt verkocht. Het belang van de man om op korte termijn over zijn aandeel in de overwaarde van het appartement te kunnen beschikken, weegt – mede gelet op wat hiervoor in 3.5. over het ontbreken van spoedeisend belang bij zijn vorderingen is overwogen – minder zwaar dan het belang van de vrouw om het oordeel in een bodemprocedure af te kunnen wachten.
Iedere partij moet de eigen proceskosten betalen
3.7.
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-partners is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De vrouw heeft ook niet uitgelegd waarom de voorzieningenrechter dat in dit geval wel zou moeten doen. De proceskosten worden dus gecompenseerd.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
3349 / 106

Voetnoten

1.HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, r.o. 3.2.