ECLI:NL:RBROT:2026:9092

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
ROT 26/4906 en ROT 26/4907
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 4:15 AwbArt. 5:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing handhavingsbesluit PowerNEST-installatie Rotterdam

Eiser, eigenaar van een appartement in Rotterdam, verzocht het college om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast van een PowerNEST-installatie op het dak van het appartementencomplex. Het college wees dit verzoek in eerste instantie af. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde het college in gebreke vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar.

De bezwaarschriftencommissie oordeelde dat het primaire besluit onvoldoende was gemotiveerd en adviseerde het college om het besluit te herroepen en een nieuwe representatieve meting uit te laten voeren. Het college volgde dit advies en herroept het primaire besluit, maar stelde slechts een nieuwe meting in het vooruitzicht zonder een inhoudelijke handhavingsbeslissing te nemen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat dit niet voldoet aan artikel 7:11 van Pro de Awb, dat vereist dat bij gegrondverklaring van bezwaar tegen een afwijzing van een handhavingsverzoek ook een nieuw besluit tot handhaving wordt genomen. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/4906 en ROT 26/4907

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[derde-partij 1].uit [vestigingsplaats 1] ([derde-partij 1])
(gemachtigde: mr. C.A.B. Geertman) en
[derde-partij 2]uit [vestigingsplaats 2] ([derde-partij 2]).

Procesverloop

1. Bij besluit van 30 september 2019 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor onder meer de activiteit bouwen van een appartementencomplex, waarin de woning van eiser is gevestigd. Op het dak van het appartementengebouw is een PowerNEST-installatie gerealiseerd.
2. Bij besluit van 5 december 2025 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen de geluidoverlast van de PowerNEST-installatie afgewezen.
3. Bij brief van 6 december 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij e-mail van 21 april 2026 heeft eiser het college in gebreke gesteld. Eiser heeft op 4 mei 2026 beroep (ROT 26/3921) ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
4. Met het besluit van 8 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
5. [derde-partij 1] heeft een reactie ingediend op het verzoek. [derde-partij 2] heeft ook een reactie ingediend.
6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college bijgestaan door [naam 1], de gemachtigde van [derde-partij 1] vergezeld door [naam 2] en [naam 3].
7. Eiser heeft het beroep niet tijdig (ROT 26/3921) ter zitting ingetrokken. De rechtbank zal in die zaak het griffierecht terugbetalen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
8. Eiser is eigenaar van de woning aan de [straatnaam] in [locatie]. Het door eiser gekochte appartement is in mei 2022 casco opgeleverd. Eiser stond van 1 mei 2025 tot 25 oktober 2025 ingeschreven op dit adres. Eiser is woonachtig in [woonplaats].
9. Op 29 oktober 2025 heeft eiser het college verzocht om handhavend op te treden tegen de geluidoverlast van de PowerNEST-installatie. De PowerNEST-installatie bestaat uit een geïntegreerd systeem van windturbines, zonnepanelen en aerodynamische lamellen.
10. Bij het primaire besluit heeft het college het verzoek om handhaving van eiser afgewezen. Volgens het college is er geen sprake van een overtreding.
11. Naar aanleiding van de bezwaren van eiser heeft de Algemene bezwaarschriftencommissie van de gemeente Rotterdam (de bezwaarschriftencommissie) op 16 februari 2026 een hoorzitting gehouden. De bezwaarschriftencommissie heeft vervolgens op 26 maart 2026 een advies uitgebracht. De bezwaarschriftencommissie is van mening dat aan het primaire besluit geen representatieve meting ten grondslag ligt en dat het primaire besluit daarom niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De bezwaarschriftencommissie adviseert het college de bezwaren van eiser gegrond te verklaren, een nieuwe representatieve meting uit te laten voeren en het primaire besluit te herroepen.
12. Bij het bestreden besluit heeft het college het advies van de bezwaarschriftencommissie gevolgd. Het college heeft de bezwaren van eiser gegrond verklaard, heeft besloten om een nieuwe representatieve meting uit te laten voeren en herroept het primaire besluit.
13. In artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat er geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter doet daarom uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en op het beroep.
15. Eiser betoogt dat het college ten onrechte niet aansluitend een inhoudelijke handhavingsbeslissing heeft genomen.
16. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college het primaire besluit herroept en dat er een representatieve meting zal moeten worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college hiermee geen besluit genomen dat strekt tot bestuursrechtelijke handhaving maar dat slechts een dergelijk besluit in het vooruitzicht is gesteld. Dit strookt niet met artikel 7:11 van Pro de Awb. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het besluit plaats vindt. Op grond van het tweede lid van dit artikel herroept het bestuursorgaan het besluit, voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft en neemt het voorzover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit. Dit artikel brengt met zich dat als het bestuursorgaan op grond van de heroverweging van een besluit tot afwijzing van een verzoek om handhaving, alsnog tot het oordeel komt dat moet worden gehandhaafd, dat besluit herroept en gelijktijdig een besluit strekkende tot handhaving neemt. Niet kan worden volstaan met het in het vooruitzicht stellen van een handhavingsbesluit. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 7:11 van Pro de Awb.
17. De stelling van eiser dat niet het college het ingenieursbureau [bedrijf] heeft ingeschakeld maar [derde-partij 1], overweegt de voorzieningenrechter ten overvloede dat [bedrijf] een onafhankelijk onderzoeksbureau is. Wanneer [bedrijf] een representatieve meting heeft verricht en daar vervolgens een rapport over uitbrengt is het aan het college om te beoordelen of de onderzoeksresultaten aan een nieuw besluit op bezwaar ten grondslag kan worden gelegd. Het college zal daarbij uitvoering moeten geven aan de vergewisplicht.
18. Voor zover eiser stelt dat geen nader onderzoek nodig is omdat duidelijk is dat er sprake was van een overtreding, overweegt de voorzieningenrechter dat dat op dit moment nog niet aannemelijk is geworden. Eiser heeft verwezen naar een tabel in zijn aanbiedingsbrief bij de notitie van [naam 4] van 26 juni 2026. In deze tabel heeft eiser echter metingen van [bedrijf] gebruikt die volgens [naam 4] onvoldoende bruikbaar zijn. Voor wat betreft de vraag wie in het geval van een overtreding de overtreder is, is het aan het college om te onderzoeken wie op dat moment de overtreder is. De voorzieningenrechter overweegt hierbij ten overvloede dat op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb onder overtreder moet worden verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) kan een last onder dwangsom uitsluitend worden opgelegd aan de overtreder die het in zijn macht heeft de last uit te voeren, dat wil zeggen de overtreder die in staat is de last uit te voeren. [1]
19. Het betoog van eiser dat het college in het bestreden besluit geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op het verzoek om handhaving slaagt. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd behoeft geen nadere bespreking.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep van eiser slaagt. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat het bestreden besluit niet in stand blijft. Het college dient daarom binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat op grond van artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder b, en c, van de Awb respectievelijk vertraging die aan aanvrager kan worden toegerekend en overmacht de termijn voor het nemen van een besluit opschorten. Uit de uitspraak van 16 december 2020 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2020:2949) volgt dat het derde lid van artikel 4:15 van Pro de Awb geen constitutief vereiste is voor het wegens overmacht opschorten van de termijn voor het geven van een beschikking.
21. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, moet het college het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit;
 draagt het college op om binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
 bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht van € 200,- vergoedt;
 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:834.