ECLI:NL:RBROT:2026:9208

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
10-225577-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 55 SrArt. 249 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling verkrachting en aanranding zevenjarig meisje met TBS-maatregel

De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor het onder dwang en geweld verkrachten en aanranden van een zevenjarig meisje in het Zuiderpark te Rotterdam in augustus 2025. De verdachte is vrijgesproken van de verdenking van wederrechtelijke vrijheidsberoving van dit slachtoffer en van een andere minderjarige in 2011.

De bewezenverklaring is gebaseerd op consistente verklaringen van het slachtoffer, DNA-bewijs dat met grote waarschijnlijkheid aan verdachte kan worden toegeschreven, zendmastgegevens die verdachte op de plaats delict plaatsen, en camerabeelden van de woning van verdachte. De verdediging stelde een alternatief scenario voor, maar dit werd niet aannemelijk geacht.

De rechtbank achtte de feiten ernstig en legde een gevangenisstraf van twee jaar op, met aftrek van voorarrest, en de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege. De verdachte heeft een psychische stoornis die het gedrag beïnvloedde, waardoor de feiten in verminderde mate aan hem worden toegerekend. De rechtbank wees de vordering van de benadeelde partij toe tot een schadevergoeding van €7.891,53, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf en TBS met verpleging voor verkrachting en aanranding van een zevenjarig meisje, vrijgesproken van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-225577-25
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Datum zitting: 14 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1970 in [geboorteplaats 1] ,
ingeschreven op het adres:
[adres 1] , [postcode] [plaatsnaam] ,
ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in [naam PI] .
Advocaten van de verdachte: mr. T.S.G. Joemman en mr. P.R. Hogerbrugge
Officieren van justitie: mr. J. Boender en mr. N.A. van Manen
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. A.R. Hamers
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het onder dwang en met geweld verkrachten en aanranden van een zevenjarig meisje in het Zuiderpark in Rotterdam in augustus 2025. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de verdenking van wederrechtelijke vrijheidsberoving van dit meisje. Ook wordt de verdachte vrijgesproken van de verdenking dat hij een andere minderjarige in 2011van haar vrijheid heeft beroofd.
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 2 jaar met aftrek van het voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De verdachte wordt tenslotte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 7.891,53, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

1.Tenlastelegging

De officieren van justitie beschuldigen de verdachte ervan dat hij – samengevat – een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren heeft verkracht (gekwalificeerd), dan wel een poging daartoe heeft gedaan, een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar heeft aangerand (gekwalificeerd) en op 9 mei 2011 en 12 augustus 2025 een kind wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:

1 primair

hij op of omstreeks 12 augustus 2025 te Rotterdam
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het
- spreiden en/of uit elkaar trekken en/of openen van haar benen en/of schaamlippen en/of billen en/of
- betasten en/of likken van haar schaamlippen en/of billen, althans schaamstreek, en/of haar lippen en/of mond en/of
- brengen van zijn tong en/of lippen en/of vingers in/op/tussen haar vagina en/of schaamlippen en/of billen
en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- haar lichaam (met kracht) vast te pakken en/of haar (vervolgens) op de grond te drukken en/of leggen en/of
- zijn hand (met kracht) op haar mond te drukken en/of leggen;

1 subsidiair

hij op of omstreeks 12 augustus 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te verrichten en deze poging tot verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,
- die [slachtoffer 1] heeft aangesproken op een afgelegen en/of beschutte plek in een park en/of
- ( vervolgens) haar lichaam (met kracht) heeft vastgepakt en/of haar op de grond heeft gedrukt en/of gelegd en/of
- ( vervolgens) zijn hand (met kracht) op haar mond heeft gedrukt en/of gelegd en/of
- ( vervolgens) haar onderbroek heeft uitgetrokken en/of
- ( vervolgens) haar benen heeft gespreid en/of uit elkaar getrokken en/of
- ( vervolgens) haar schaamlippen en/of billen, althans schaamstreek, en/of haar lippen en/of mond heeft betast en/of
- ( vervolgens) haar schaamlippen en/of haar billen, althans haar schaamstreek heeft gelikt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 12 augustus 2025 te Rotterdam met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- uittrekken van haar onderbroek en/of
- spreiden en/of uit elkaar trekken en/of openen van haar benen en/of schaamlippen en/of billen en/of
- betasten van haar schaamlippen en/of billen, althans schaamstreek, en/of haar lippen en/of mond
en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- haar lichaam (met kracht) vast te pakken en/of haar (vervolgens) op de grond te drukken en/of leggen en/of
- zijn hand (met kracht) op haar mond te drukken en/of leggen;

3.

hij op of omstreeks 12 augustus 2025 te Rotterdam opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door
- die [slachtoffer 1] aan te spreken op een afgelegen en/of beschutte plek in een park en/of
- ( vervolgens) haar lichaam (met kracht) vast te pakken en/of haar op de grond te drukken en/of leggen en/of
- ( vervolgens) zijn hand (met kracht) op haar mond te drukken en/of leggen
(als gevolg waarvan) hij haar gedurende enige tijd heeft belet zich vrij te bewegen en/of zich van die plek te verwijderen;

4.

hij op of omstreeks 9 mei 2011 te Rotterdam opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door
- die [slachtoffer 2] aan te spreken op een niet voor publiek toegankelijke plaats (te weten: de kelderboxruimte van Peitkreek 229) en/of
- die [slachtoffer 2] te volgen in genoemde ruimte en/of
- ( vervolgens) met zijn lichaam voor de toegangsdeur van genoemde ruimte te gaan staan (terwijl die [slachtoffer 2] zich in een kelderbox bevond) en/of
- ( vervolgens) zijn (stijve) penis te tonen aan die [slachtoffer 2] en/of
- ( vervolgens) te masturberen en ejaculeren in aanwezigheid van die [slachtoffer 2]
(waarbij) hij die [slachtoffer 2] gedurende enige tijd heeft belet zich vrij te bewegen en/of zich van die plek te verwijderen.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 primair, 2, 3 en 4. Het standpunt van de officieren van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak van alle feiten bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte het [slachtoffer 1] heeft verkracht en aangerand en daarbij dwang en geweld heeft gebruikt door haar vast te pakken, op de grond te leggen en zijn hand op haar mond te drukken/leggen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangeefster] [2] Op 12 augustus 2025 ging ik met mijn dochter [slachtoffer 1] naar het Zuiderpark in Rotterdam. We zijn naar een plekje gereden bij het water en [slachtoffer 1] ging daar kikkers zoeken. Ik zag [slachtoffer 1] niet.
(...) Ineens kwam ze huilend naar mij toe en zei dat er een naakte man was.
Ik zag, toen ze aan kwam lopen, dat ze haar onderbroekje aan moest doen.
(…) Ze kwam van de achterkant van mij, er was een klein bosje en daar kwam ze vandaan. (…) Haar onderbroek was op haar knieën en ze trok deze omhoog. (...) [slachtoffer 1] zei: Er was een naakte man. Ze zei ook nog dat ze in het Nederlands had proberen te zeggen dat hij haar onderbroek niet mocht aanraken. Ze zei dat ze aan het schreeuwen was maar dat hij haar mond bedekte. Hij probeerde haar op de grond te leggen.
V: In het eerdere gesprek, afgelopen dinsdag, vertelde je over likken aan de vagina?
A: Ja, ook de schaamstreek en de vagina.
V: Ook had je het er toen over dat de man haar benen uit elkaar had geduwd en had geprobeerd haar te verkrachten. Hoe weet je dit?
A: Ja, er kwamen twee mensen van de politie en zij vroegen of hij haar had bewogen. En ze zei toen ja en liet zien hoe de man haar had bewogen bij haar heupen.
V: Wat voor beweging maakte ze toen?
Opmerking verbalisant: Ik zie dat de aangeefster haar handen aan de binnenzijde van haar bovenbenen, ter hoogte van de liezen, zet en haar benen uit elkaar duwt.
2.
Proces-verbaal van de politie [3]
Op 12 augustus 2025, omstreeks 17.02 uur, kregen wij de opdracht om te gaan naar een opvangcentrum in verband met een aanranding van een minderjarig kind, later bekend als: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] -2018 te [geboorteplaats 2] .
[slachtoffer 1] was in het bijzijn van haar moeder bekend als: [aangeefster] .
[slachtoffer 1] verklaarde door middel van de tolk: "Ik ben in het park door een man vastgepakt. De man trok mijn onderbroek naar beneden. De man heeft mij gelikt met zijn tong bij mijn schaamstreek". Ik zag dat [slachtoffer 1] mij aankeek en richting haar schaamstreek wees met haar hand. Ik zag dat zij hierbij angstig keek.
Ik vroeg aan [slachtoffer 1] of zij kon omschrijven hoe de man eruitzag. Het signalement is als volgt:
- Blanke man, volledig naakt.
- Baard.
Verder gaf ze aan dan de man een korte lengte had.
(…) Wij zagen, dat [aangeefster] door middel van Google maps de locatie aanwees waar het incident plaats vond. De exacte locatie van het incident betrof het Zuiderpark, aan de Oldegaarde, bij het pad tussen de Oldegaarde en Zuiderparkpromenade-West. Het pad heet Pendrechtseweg.
3.
Proces-verbaal van de politie, uitwerking studioverhoor [benadeelde partij] [4]
(...) "- hij zei dat ik daarheen moest en ik zei nee." Toen greep hij mij vast.
- Ik wilde schreeuwen, maar hij heeft mijn mond dichtgedaan. Vult aan bij navertellen: "Nee ik ging schreeuwen"
- Ik rende heel snel naar mijn moeder toe.
(…) Vertel er eens alles over dat likken. - Mijn vagina
Op, tussen onder je kleding of anders? - Hij had mijn ondergoed naar beneden gedaan.
Waar deed hij mee likken? - Met zijn tong.
Hoe weet je dat? - Ik zag het.
(…) Toen die meneer aan je vagina zat, lag jij, stond jij, of anders? - Hij heeft mij gelegd.
(…) - Ik wilde mijn moeder roepen en toen heeft hij mijn mond dichtgedaan.
Met welke hand? Wijst rechterhand aan.
Jij zegt ik lag op mijn rug en die man, lag hij, zat hij stond hij of anders.
- Hij zat en toen heeft hij mijn mond dichtgedaan. (…) Hij hurkte.
Hoe zag hij eruit? - Een witte huid
En verder? - Hij had een baard
Wat voor soort baard? - Zwart grijs.
Had hij ook haar? -Niet heel kort, hij had wel haar
Welke kleur? - Net als zijn baard.
Had hij kleren aan? - Hij was helemaal naakt.
Wat kon je allemaal van hem zien? - Zijn plasser.
Was die piemel hard, zacht? - Die stond.
(…) Waar kwam die man vandaan? - Hij stond achter een boom. Die meneer heeft mij op de grond gelegd.
En toen ben je naar mama gegaan wat zei je tegen je moeder? - Dat hij mijn plasser had gelikt en dat hij naakt was. Toen zei ik dat ik het heel eng vond en bang ben en begon ik te huilen.
4.
Proces-verbaal van de politie, forensisch onderzoek persoon [slachtoffer 1] [5] Slachtoffer
Achternaam : [achternaam slachtoffer]
Voornamen : [voornaam slachtoffer]
Geboortedatum : [geboortedatum 2] 2013
(…) Op 12 augustus heeft LOEF arts [naam 1] een FMO ingesteld aan het slachtoffer. Tijdens dit onderzoek heeft de arts diverse bemonsteringen van het lichaam van het slachtoffer veiliggesteld middels een daarvoor bestemde zedenbemonsteringset (ZAAE3587NL).
(…) Tijdens ons onderzoek werd de kleding van het slachtoffer veiliggesteld. De volgende kledingstukken zijn door ons veiliggesteld en voorzien van een Spoor Identificatie Nummer (SIN):
  • Jurk van slachtoffer, SIN AASY1649NL;
  • Onderbroek van slachtoffer, SIN AASY1650NL.
Van het slachtoffer is door LOEF arts [naam 1] DNA-materiaal afgenomen in de vorm van wangslijm. Dit referentie DNA-materiaal is veiliggesteld en voorzien van SIN WAJZ4958NL.
5.
Deskundigenverslag [6]

5.Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek

Onderzoeksset zedendelicten ZAAE3587NL afgenomen bij [slachtoffer 1]
(…)
6.
Deskundigenverslag [7]

7.Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek

(…)
7.
Proces-verbaal van de politie [8]
Op 19-08-2025 werd bij LOGIUS bevraagd of door [verdachte], geboren [geboortedatum 1]-1970 een recent telefoonnummer in gebruik had. Door LOGIUS werd hierop het telefoonnummer [telefoonnummer] verstrekt.
Op 19-08-2025 werden bij provider ODIDO de historische verkeersgegevens opgevraagd van het telefoonnummer [telefoonnummer], over de periode 11-08-2025 tot en met 13-08-2025.
Op 12-08-25 om 16:26:17 uur volgt een internetsessie waarbij de zendmast wordt aangestraald op de [adres 2]. Om 16:26:32 uur volgt het reeds beschreven telefoongesprek. Tijdens dit gesprek wordt deze zendmast aan de [adres 2] wederom aangestraald. Deze zendmast staat hemelsbreed op een afstand van ongeveer 830 meter van Plaats Delict aan de Pendrechtpad te Rotterdam.
Bevindingen:
In het gehele bestand van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] zijn maar twee registraties met zendmasten op het adres [adres 2]. Dit was in de periode dat de (poging tot) verkrachting heeft plaatsgevonden.
Verder is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer] op 12-08-2025 te 13:11 uur zendmasten aan heeft gestraald op de [adres 3] en zich vervolgens verplaatst en dan om 16:26 uur voor het laatst de zendmast aan straalt op de [adres 2]. Plaats Delict ligt nagenoeg op een route tussen deze twee zendmasten in. Om 16:41 uur wordt wederom de zendmast aangestraald [adres 3].
8.
Proces-verbaal van de politie [9]
Op dinsdag 19 augustus 2025 werd een doorzoeking gehouden in de woning van de [verdachte] aan de [adres 1]. Op de telefoon van de verdachte had ik de applicatie van de Ring deurbel aangetroffen en had hierin twee video’s van 12 augustus 2025 gedownload naar deze mobiele telefoon. Ik heb deze twee video’s bekeken van de man die op 12 augustus 2025 de woning aan de [adres 1] verlaat en later weer terugkomt.
Tijdstempel 12/08/2025 13:11:33 CEST Ik zag een man bij de voordeur van de woning weglopen. Hij had een zogenoemd ‘ringbaardje’.
Tijdstempel 12/08/2025 17:02 CEST Ik zag dat voornoemde man vanuit links het camerabeeld weer inliep en hij liep naar de voordeur van de woning. Ik zag dat de man een kaal hoofd had. Ik heb deze man vergeleken met de beschikbare politiefoto van [verdachte] gemaakt op 19/08/2025 en ik zag dat dit dezelfde persoon was. Ik zag dat de vorm van het gezicht overeenkwam, de gezichtsbeharing kwam grotendeels overeen, de oren kwamen overeen (met name het bultje op zijn rechteroorschelp) en het bultje naast de linker neusvleugel kwamen overeen. De man op de Ring deurbel camerabeelden betreft de [verdachte].
2.3.2.
Bewijsmotivering feit 1 primair en feit 2
Vast staat dat het destijds zevenjarige slachtoffer op 12 augustus 2025 samen met haar moeder in het Zuiderpark was. Moeder is haar kort uit het oog verloren zij is haar gaan zoeken, waarna zij ineens huilend achter haar stond met haar onderbroek op haar knieën. Het slachtoffer zei dat er een naakte man was. Zij vertelde haar moeder dat de man had haar vastgepakt, haar onderbroek naar beneden had gedaan, haar op de grond had gelegd en haar had gelikt bij haar vagina. Hij had ook geprobeerd haar benen uit elkaar te duwen. Toen zij ging schreeuwen heeft de man haar mond dichtgedaan met zijn rechterhand.
De rechtbank is van oordeel dat het slachtoffer consistent en voldoende specifiek heeft verklaard over de gebeurtenissen zodat haar verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
De vraag is of de verdachte de man is geweest over wie het slachtoffer heeft verklaard. De rechtbank is van oordeel dat dit inderdaad het geval is. Daarbij baseert de rechtbank zich op het volgende.
DNA-resultaten
Bij het slachtoffer zijn van de buitenste schaamlippen en verschillende plekken in haar onderbroek bemonsteringen afgenomen. Uit de bemonsteringen van de buitenste schaamlippen is een DNA-mengprofiel van minimaal 2 donoren verkregen en voor de bemonsteringen aan de onderbroek is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal 3 donoren. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit DNA-profiel. Het DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is.
Op verzoek van de verdediging is het FLDO ingeschakeld voor contra-expertise. Voor bovenstaande bemonsteringen zijn het NFI en het FLDO tot dezelfde conclusie gekomen ten aanzien van de verdachte. Ten aanzien van de vraag of de verdachte de dader is over wie het slachtoffer heeft verklaard zal de rechtbank uitsluitend van deze bemonsteringen uitgaan.
Overige bewijsmiddelen
Naast voornoemde DNA-resultaten komt de beschrijving van het slachtoffer van de man overeen met het uiterlijk van de verdachte. Ook kan de verdachte middels de zendmastgegevens rond het tijdstip van de gebeurtenissen in de buurt van het plaats delict worden geplaatst. Tot slot blijkt uit de Ring-camerabeelden dat de verdachte die middag van huis is gegaan en pas na het incident weer thuis komt. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de dader was.
Alternatief scenario
De verdediging heeft een scenario gesuggereerd waarin een ander persoon de dader kan zijn geweest, namelijk de onbekend gebleven derde persoon van wie in het mengprofiel DNA voorkomt. Het DNA van de verdachte zou op een andere wijze op het lichaam en de kleding van het slachtoffer terecht kunnen zijn gekomen. Aan dit scenario is door de verdediging geen enkele concrete invulling gegeven en de verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Er heeft dan ook geen nader onderzoek kunnen plaatsvinden waarin een begin van weerlegging van de onderzoeksbevindingen en verklaringen van het slachtoffer zou kunnen worden gevonden. De rechtbank acht het door de verdediging gesuggereerde alternatieve scenario niet aannemelijk geworden en stelt dit terzijde.
Aanranding, verkrachting (seksueel binnendringen)
De volgende vragen die de rechtbank dient te beantwoorden zijn welke handelingen bewezen kunnen worden verklaard en hoe deze handelingen gekwalificeerd dienen te worden. De onderzoeken van het NFI en het FLDO zijn eensluidend in hun bevindingen dat op de lippen, de venusheuvel, de buitenste schaamlippen en de onderbroek van het slachtoffer DNA is aangetroffen dat van de verdachte afkomstig is. Deze bevindingen sluiten aan bij de verklaring van het slachtoffer dat de verdachte haar onderbroek heeft uitgetrokken, haar benen heeft gespreid en zijn hand op haar mond heeft gedaan. Hieruit volgt dat de verdachte het slachtoffer heeft aangerand.
Uit onderzoek door het NFI volgt daarnaast dat ook DNA aangetroffen is aan de binnenste schaamlippen en het voorhof, dat ‘zeer veel waarschijnlijker’ van de verdachte afkomstig is dan van een ander. Het gaat hierbij om een kans van 1 op 10.000 tot 1.000.000 dat het DNA niet van de verdachte, maar van een ander is. Uit het onderzoek volgt dat het hier gaat om DNA-materiaal uit speeksel.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de voorhof aan de binnenzijde van de binnenste schaamlippen rondom de opening van de vagina ligt. De rechtbank stelt hiermee vast dat de tong van de verdachte op zijn minst tussen de (binnenste) schaamlippen is geweest waarmee hij bij het slachtoffer is binnengedrongen. Deze handeling kan in redelijkheid op een lijn worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een wat betreft de ernst van de inbreuk op de seksuele integriteit daarmee vergelijkbare handeling (vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3627 en HR 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6910).
Bruikbaarheid PJ-rapportage
Nu het rapport van de psycholoog niet is gebezigd als bewijs, gaat de rechtbank niet in op het verweer van de verdediging ex artikel 359a Sv.
Conclusie
De rechtbank komt tot het oordeel dat de aan de verdachte ten laste gelegde verkrachting en aanranding wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:

1 primair

hij op 12 augustus 2025 te Rotterdam
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] één of meer seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het
- spreiden van haar benen en
- likken van haar schaamlippen en
- brengen van zijn tong tussen haar schaamlippen
welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van dwang
engeweld, door
- haar lichaam vast te pakken en haar op de grond te drukken en/of leggen en
- zijn hand op haar mond te drukken en/of leggen;

2.

hij op 12 augustus 2025 te Rotterdam
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- uittrekken van haar onderbroek en
- spreiden van haar benen
en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van dwang
engeweld, door
- haar lichaam vast te pakken en haar op de grond te drukken en/of leggen en
- zijn hand op haar mond te drukken en/of leggen.
2.3.4.
Vrijspraak ten aanzien van de feiten 3 en 4
Wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] (feit 3)
Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Het door artikel 282 Sr Pro beschermde rechtsbelang is de bewegingsvrijheid. Het door de artikelen 249 en 250 Sr beschermde rechtsbelang betreft de lichamelijke integriteit. Het handelen van de verdachte was gericht op de aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en niet op het beperken van haar bewegingsvrijheid. Inherent aan de handelingen van de verdachte is dat het slachtoffer door hem is vastgehouden. Hoe lang dit geweest is kan niet worden vastgesteld, maar gelet op de verklaringen van het slachtoffer en haar moeder kan dit niet langer dan een (zeer) korte tijd geweest zijn. Met de enkele vaststelling dat de verdachte het slachtoffer heeft vastgehouden kan, mede in het licht van de beschermde rechtsbelangen, niet tot een bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 Sr Pro worden gekomen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
Wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 2] (feit 4)
Hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat het de verdachte was die door het slachtoffer wordt beschreven als de man die zich in de kelderbox heeft afgetrokken, is de rechtbank van oordeel dat deze aanwijzingen niet tot een bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving kunnen leiden. Het dossier bevat namelijk onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte het slachtoffer van haar vrijheid heeft beroofd. Niet kan worden vastgesteld dat het slachtoffer feitelijk de kelderbox niet kon verlaten. De verdachte wordt dan ook daarvan vrijgesproken.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
De eendaadse samenloop van
Feit 1 primair
verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren voorafgegaan door, vergezeld van dwang, geweld;
en
Feit 2
aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren voorafgegaan door, vergezeld van dwang, geweld.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf en maatregel

4.1.
Eis van de officieren van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 primair, 2, 3 en 4 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van het voorarrest. Daarnaast dient de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege aan de verdachte te worden opgelegd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis, dan wel een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Bepleit is om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan verkrachting en aanranding van een zevenjarig meisje in het Zuiderpark, De verdachte heeft daarbij dwang en geweld gebruikt door het slachtoffer vast te pakken, op de grond te leggen en zijn hand op haar mond te drukken/leggen. Het feit heeft plaatsgevonden terwijl het slachtoffer kikkers aan het zoeken was. Deze zorgeloze en nieuwsgierige ontdekking van de wereld om haar heen is door de verdachte op afschuwelijke wijze verstoord
Het gaat om een zeer ernstig feit van seksueel grensoverschrijdend gedrag. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het jonge slachtoffer. Hij heeft zich hierbij enkel laten leiden door zijn eigen seksuele driften. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedendelicten nog lang kunnen lijden onder de psychische gevolgen ervan. Bij minderjarige slachtoffers betekent dit veelal dat (onder meer) de normale seksuele ontwikkeling wordt verstoord. Uit de vordering van de benadeelde partij en hetgeen ter zitting namens het slachtoffer door haar advocaat naar voren is gebracht, is gebleken dat het feit een grote indruk op het slachtoffer heeft gemaakt en dat zij daar nog steeds de gevolgen van ervaart. Naast alle persoonlijke gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft, draagt dit soort feiten ook bij aan een toename van het gevoel van onveiligheid in de samenleving.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van de verdachte van 24 juni 2026 blijkt dat hij eerder (niet recent) onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapporten van deskundigen en de reclassering en hun verklaringen op de zitting
In het rapport van
[psychiater]van 27 december 2025 staat het volgende.
De verdachte heeft beperkt meegewerkt aan het onderzoek. De pyschiater heeft hierdoor geen diagnose kunnen vaststellen. Er komen geen bijzonderheden naar voren tijdens de seksuele anamnese. Het is niet uitgesloten dat de verdachte, vanuit een bepaalde procespositie, de vragen van de psychiater omtrent zijn seksualiteitsbeleving sociaal wenselijk heeft beantwoord. Een parafiele stoornis kan om die reden op basis van onderhavig onderzoek niet worden aangetoond of uitgesloten, aangezien een dergelijke diagnose niet alleen op basis van een strafblad en het ten laste gelegde kan worden vastgesteld. Een exhibitionismestoornis kan ook niet worden vastgesteld of uitgesloten, aangezien het voor de psychiater niet mogelijk is geweest seksuele opwinding of drang door het tonen van de eigen genitaliën aan nietsvermoedende personen met verdachte te bespreken. Vanwege de proceshouding van de verdachte is ervoor gekozen om de verdachte niet in detail te bevragen over het ten laste gelegde. Een volledige delictanalyse is niet mogelijk gebleken. Er kan geen uitspraak worden gedaan over de vraag of er een verband is tussen eventueel aanwezige stoornissen en het ten laste gelegde. Ook kan er nauwelijks een betrouwbare uitspraak worden gedaan over het recidiverisico op seksueel en gewelddadig gedrag. Wel wordt op basis van de Static-99R het statische recidiverisico hoog ingeschat. Er kan geen uitspraak worden gedaan over een eventueel passend strafrechtelijk (juridisch) kader.
Ter zitting heeft psychiater Hoek verklaard dat haar rapport ziet op haar onderzoek en haar bevindingen. Met de mederapporteur, [psycholoog] heeft zij enkel de beantwoording van de vragen besproken. De verklaring van de verdachte tegenover [psycholoog] kende zij inhoudelijk niet en deze heeft zij niet betrokken bij haar bevindingen.
In het rapport van
[psycholoog]van 14 januari 2026 staat het volgende.
In het kader van het onderzoek zijn bij de verdachte vragenlijsten, tests en interviews afgenomen.
Uit
Hypersexual Disorder Screening Inventory(HDSI) blijkt dat de verdachte seksuele fantasieën en seksuele activiteiten gebruikt om met lastige gevoelens (bijvoorbeeld verdriet, frustratie, verveling, schuld en schaamte) om te gaan.
Uit
Coping Using Sex Inventory(CUSI) blijkt dat de verdachte in bovengemiddelde mate scoort op de Seks met Kinderen Fantasieën schaal, wat betekent dat hij in stressvolle situaties in bovengemiddelde mate stress probeert te reduceren door te fantaseren over het hebben van seks met kinderen.
Er kan worden gesteld dat de emotieregulatieproblematiek en de gebrekkige impulsregulatie bij verdachte tot disruptief gedrag (i.e. ontwrichtend en grensoverschrijdend gedrag) kan leiden. Om deze reden kan worden gesteld dat verdachte aan de classificatie van een ‘andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis’ voldoet. Voorts is sprake van de classificatie van ‘seksueel misbruik van een kind’. De eventuele psychische stoornis en/of verstandelijke handicap beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde uit 2025. Gesteld kan worden dat verdachte in onvoldoende mate in staat was zijn emoties en gedrag te reguleren, andere gedragskeuzes te maken en hiernaar te handelen. Met het aanwezig geachte verband tussen de beschreven problematiek van verdachte en het ten laste gelegde wordt geadviseerd om verdachte de hem ten laste gelegde feiten uit 2025 in een verminderde mate toe te rekenen.
Het recidiverisico wordt bij ongewijzigde omstandigheden en zonder adequate behandeling als hoog ingeschat.
Bij een bewezenverklaring en indien de strafmaat dit toelaat, wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarde ambulante behandeling bij een forensische polikliniek. Vanzelfsprekend zal moeten worden opgeschaald naar een TBS met voorwaarden indien de strafmaat genoemde behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel niet zou toelaten.
Ook is overwogen of opschaling/intensivering van ambulante naar klinische behandeling wenselijk is, omdat verdachte, ondanks zijn eerdere behandeling bij de Waag, is gerecidiveerd.
In het rapport van
Reclassering Nederlandvan 9 juli 2026 staat het volgende.
De reclassering acht het zorgwekkend dat de (behandel)interventies die eerder binnen een justitieel kader – en onder toezicht van de reclassering – zijn ingezet tot op heden niet hebben geresulteerd in een langdurige positieve gedragsverandering bij verdachte en in een aanvaardbaar laag recidiverisico. Er is sprake van een zorgwekkend delict- en gedragspatroon. Onderhavige verdenking toont een escalatie in de aard van de strafbare feiten. De verdachte wordt ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan zowel hands-off als hands-on zedendelicten.
In het kader van recidivebeperking is het van belang dat de beïnvloedingsmogelijkheden en het risicomanagement vooral extern vormgegeven worden. De verdachte dient nauwlettend en continu gemonitord te worden en pas na intensieve behandeling met hele kleine stappen weer te wennen aan de vrije maatschappij. Een behandel- en begeleidingstraject binnen een setting waar expertise is op het gebied van de bij verdachte vastgestelde problematiek is geïndiceerd.
De inschatting van de gedragsdeskundige is dat met een adequaat ambulant behandel- en begeleidingstraject het recidivegevaar voldoende kan worden ingeperkt. Bij de reclassering bestaat de zorg dat voornoemde niet afdoende is. Verdachte ziet zelf geen verband tussen zijn psychosociaal functioneren en het effect wat dit op zijn eigen (delinquente) handelen heeft. Naar verwachting zal een intensief, langdurend behandel- en begeleidingstraject nodig zijn voor het duurzaam terugbrengen van het recidiverisico. De reclassering acht een klinische start van de behandeling aansluitend op de huidige detentieperiode dan ook noodzakelijk om de kans op herhaling op (ernstig) grensoverschrijdend gedrag te verlagen. Het kader van een tbs met voorwaarden biedt – in tegenstelling tot het kader van een (deels) voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden – de garantie dat de ingezette behandeling en begeleiding doorgang krijgt, ook wanneer verdachte deze trajecten niet langer zou willen volgen. Hiermee wordt niet alleen het traject van verdachte, maar ook de maatschappij beschermd.
Het risico op (gewelds)recidive kan niet adequaat worden ingeschat, omdat de reclassering door de beperkte medewerking van verdachte onvoldoende zicht heeft gekregen op de risico’s en de criminogene factoren. De reclassering ziet daarentegen wel een opeenstapeling van problemen. Daarnaast ontbreekt het verdachte aan voldoende beschermende factoren en aan stabiliteit op meerdere leefgebieden.
De reclassering adviseert gematigd positief over tbs met voorwaarden en stelt voorop dat de bescherming van de maatschappij centraal staat. Gelet op dit belang acht zij het niet verantwoord dat verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij. Gelet op het recidiverende karakter van het seksueel grensoverschrijdende gedrag is een stevig risicomanagement noodzakelijk en is het van groot belang dat de behandeling geborgd is en de continuïteit daarvan niet in gevaar komt. Het borgen van de behandeling binnen de bescherming van de tbs-maatregel – met voorwaarden – en onder toezicht van de reclassering kan bijdragen aan het behalen van het gewenste resultaat.
De reclassering adviseert dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden.
Ter zitting heeft de deskundige Jozee verklaard dat de reclassering nog steeds gematigd positief is over het pakket aan tbs met voorwaarden. De intrinsieke motivatie van de verdachte ontbreekt. De verdachte heeft gezegd mee te zullen werken als dat moet. Er zijn ook twijfels over de haalbaarheid van de tbs met voorwaarden omdat de verdachte niet inhoudelijk heeft willen verklaren over wat er is gebeurd.
Verweer verdediging met betrekking tot de bruikbaarheid van het NIFP-rapport
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de inhoud van het rapport van de psycholoog niet in de beoordeling kan worden betrokken, omdat de (deels bekennende) verklaring die de verdachte bij de psycholoog heeft afgelegd, niet in vrijheid is afgelegd. Het rapport kan dan ook geen basis vormen voor het opleggen van een tbs-maatregel.
De rechtbank verwerpt de stelling van de verdediging dat er bij de totstandkoming van de NIFP-rapportage vormen zijn verzuimd. De stelling die inhoudt dat er druk is uitgeoefend op de verdachte is niet nader geconcretiseerd of op enige andere wijze onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat het rapport op 14 januari 2026 met de verdachte is besproken en hij toen niets over enige druk heeft verklaard. Ook bij de mederapporteur, de psychiater, is geen melding gemaakt van enige druk tijdens het gesprek met de psycholoog en verklaart de verdachte juist dat hij bij de psycholoog open is geweest. Verder is aangevoerd dat, omdat er geen audio-opname zou zijn gemaakt van de gesprekken bij de psycholoog, het controlerecht is geschonden. Ook dit verweer wordt verworpen. Er bestaat geen rechtsregel waaruit een plicht voor de psycholoog voortvloeit om gesprekken op te nemen. De rechtbank merkt in dit verband op dat, hoewel de verdediging daartoe (schriftelijk) in de gelegenheid is gesteld, zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om nadere vragen aan de psycholoog te stellen.
Conclusie: de inhoud van de NIFP-rapportage van [psycholoog] kan worden betrokken bij de beslissingen van de rechtbank.
4.3.3.
Oplegging straf en maatregel
Toerekenbaarheid
Op basis van het rapport van de [psycholoog] stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat er eendaadse samenloop bestaat en de feiten in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. De rechtbank komt daarnaast tot een lagere gevangenisstraf dan de officieren van justitie hebben geëist, omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht.
Daarom wordt een gevangenisstraf van twee jaar opgelegd.
Terbeschikkingstelling (TBS)
De rechtbank acht, met de officieren van justitie en anders dan de deskundigen hebben geadviseerd en de raadslieden van de verdachte hebben bepleit, behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden niet afdoende om het recidiverisico tot een maatschappelijk acceptabel niveau terug te brengen. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.
De verdachte is in het verleden meermalen veroordeeld voor zedendelicten. Waar het eerder ging om eerbaarheidsschennis (hands off feiten) heeft de verdachte nu een jong meisje verkracht (hands on feit). Dit betekent een escalatie in de aard en ernst van het gedrag van de verdachte. De verdachte heeft bij de psychiater zodanig beperkt meegewerkt dat zij geen diagnose heeft kunnen stellen. Hoewel de verdachte bij de psycholoog meer heeft verteld, heeft hij verdiepende vragen nauwelijks beantwoord. De vragenlijsten die hij heeft ingevuld en het weinige dat hij heeft gedeeld maakt dat de rechtbank rekening houdt met de aanwezigheid van andere stoornissen, zoals een parafiele stoornis of exhibitionismestoornis, die weliswaar op dit moment niet konden worden vastgesteld maar tevens niet zijn uitgesloten. Door onvoldoende mee te werken met het onderzoek van de psycholoog, de psychiater en de reclassering heeft de verdachte ieder onderzoek naar het bestaan van alternatieve, minder vergaande modaliteiten van beteugeling van het herhalingsgevaar onmogelijk gemaakt. Zeker gelet op het recidiverisico dat door de deskundigen als hoog wordt geschat en gelet op de ernst van de onderhavige feiten dient de rechtbank vertrouwen te hebben in de bereidheid van de verdachte om mee te werken aan een voorwaardelijke tbs-maatregel. De verdachte heeft hier op zitting echter niets over willen zeggen en heeft bij de reclassering slechts opgemerkt dat hij wil meewerken als het moet. Een tbs-maatregel met voorwaarden is sterk gericht op resocialisatie en gaat uit van vrijwillige behandeling. Ook vraagt dit langdurige toewijding en inzet van de verdachte. De rechtbank heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de verdachte hieraan zal meewerken. Om die reden acht de rechtbank, gelet op de houding van de verdachte, een voorwaardelijk kader niet haalbaar.
De rechtbank stelt – anders dan de verdediging heeft bepleit – vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. Voorts is sprake van ‘seksueel misbruik van een kind’. Daarnaast zijn de feiten misdrijven waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Gelet op de aard en ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling eist de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en onder dwang wordt verpleegd.
De rechtbank legt de maatregel van terbeschikkingstelling op voor een gekwalificeerde verkrachting en een gekwalificeerde aanranding. Dit zijn misdrijven die gericht zijn tegen, of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarom kan de terbeschikkingstelling langer duren dan vier jaar.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [benadeelde partij]
De wettelijke vertegenwoordigers van [benadeelde partij] , [aangeefster] en [naam 2] (bijgestaan door mr. A.R. Hamers) hebben als benadeelde partij voor de feiten 1, 2 en 3
€ 10.163,57 als vergoeding voor materiële schade, € 13.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3.000,- als nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de BEM-clausule.
5.2.
Standpunt van de officieren van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 22.070,73, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak.
Subsidiair moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de schade onvoldoende is onderbouwd dan wel de behandeling een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.
Ten aanzien van de schadepost kleding refereert de verdediging zich (eveneens subsidiair) aan het oordeel van de rechtbank.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 primair en 2 gepleegde strafbare feiten. De vordering is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen voor zover deze ziet op de schadeposten ‘kleding’ (€ 22,50), ‘mantelzorg’ (€ 288,-) en ‘reiskosten’ (€ 81,03).
Ten aanzien van de schadeposten ‘toekomstig mantelzorg’, ‘toekomstig reiskosten’ en ‘toekomstig studievertraging’ zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, aangezien deze kosten nog niet zijn gemaakt. Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de schadepost ‘toekomstig studievertraging’ vraagt om nader onderzoek en een verdere uitwisseling van standpunten. Dit zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in het verzoek ten aanzien van dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank begrijpt dat de ouders van de benadeelde partij de kosten voor een aquarium en ‘kosten ter ontspanning’ hebben gemaakt om het leed van hun dochter te verzachten (gederfde levensvreugde). Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet als verplaatste schade in de zin van artikel 6:107 BW Pro kunnen worden aangemerkt. De benadeelde partij wordt in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 391,53 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
5.4.2.
Immateriële schade
Aan de benadeelde partij is ook rechtstreeks immateriële schade toegebracht. Bij de namens de benadeelde partij ingediende stukken bevindt zich een verklaring van een kinderarts waaruit blijkt dat het slachtoffer psychische klachten en gedragsveranderingen ondervindt. Zij is in zichzelf gekeerd, heeft driftbuien en er is mogelijk een regressie in haar ontwikkeling. Zij is hiervoor verwezen naar Youz voor gespecialiseerde therapie. Weliswaar is er geen diagnose, waardoor geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, maar de rechtbank is van oordeel dat dit een situatie betreft waarbij de aard en de ernst van de normschending met zich brengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangenomen. Deze immateriële schade wordt naar billijkheid begroot op € 7.500,-. Bij de begroting is rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en is acht geslagen op de schadebedragen uit de ‘Rotterdamse Schaal’. De vordering wordt tot het hiervoor genoemde bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan daarom bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 7.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
5.4.3.
Nader te onderbouwen schade
De benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade (in verband met een eventueel hoger beroep) in haar vordering opgenomen. Aangezien eventuele toekomstige kosten nu niet gemaakt zijn en het onzeker is of deze kosten gemaakt zullen worden en (dus) niet zijn onderbouwd, wordt de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
5.4.4.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 12 augustus 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 64 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
5.4.5.
BEM-clausule
De rechtbank zal, zoals gevorderd, bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de [benadeelde partij] te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger(s) kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot zij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
De rechtbank bepaalt tevens dat de advocaat van de benadeelde partij binnen drie (3) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis het Openbaar Ministerie op de hoogte stelt welke rekening voor de benadeelde partij is geopend.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 55, 249 en 250 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 2 (twee) jaar;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
TBS-maatregel
beveelt dat de verdachte voor de feiten 1 primair en 2
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat de terbeschikkinggestelde
van overheidswege wordt verpleegd;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan
de [benadeelde partij](voor de feiten 1 primair en 2), te betalen een bedrag van
€ 7.891,53, bestaande uit € 391,53 als vergoeding van materiële schade en € 7.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 12 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor de feiten1 primair en 2
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van
de [benadeelde partij]aan de staat
€ 7.891,53te betalen, en de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
64 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;
bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding aan [benadeelde partij] zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum 2] 2018, te openen rekening met een BEM-clausule.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. Wielhouwer, voorzitter,
en mrs. P.C. Tuinenburg en B. Vaz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 28 juli 2026.
Mrs. Wielhouwer, Tuinenburg en Dere zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer RTRBC25242/ZUIDER.
2.pagina 24 e.v. van het zaaksdossier Zaak Zuider.
3.pagina 1 e.v. van het zaaksdossier Zaak Zuider.
4.pagina 36 e.v. van het zaaksdossier Zaak Zuider.
5.pagina 79 e.v. van het zaaksdossier Zaak Zuider.
6.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (zaaknummer 2025.08.13.030 (aanvraag 002)), pagina 108 e.v. van het zaaksdossier Zaak Zuider.
7.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (zaaknummer 2025.08.13.030 (aanvraag 003)), pagina 124 e.v. van het zaaksdossier Zaak Zuider.
8.pagina 50 e.v. van het zaaksdossier Zaak Zuider.
9.Pagina 54 e.v. van het zaaksdossier Zaak Zuider.