ECLI:NL:RBROT:2026:949

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
11916157 CV EXPL 25-21381
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 Besluit personenvervoer 2000Art. 3:37 lid 3 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling ritprijs en kosten na treinreis zonder geldig vervoersbewijs

Op 8 maart 2025 maakte gedaagde een treinreis zonder geldig vervoerbewijs. NS vordert betaling van de ritprijs, wettelijke verhoging en administratiekosten, vermeerderd met rente en kosten. Gedaagde betwist de vordering onder meer met het argument dat zij onder bewind stond en dat zij de aanmaningen niet zou hebben ontvangen.

De kantonrechter stelt vast dat gedaagde geen geldig kaartje had en dat het risico van het kopen van een verkeerd kaartje voor haar rekening komt. NS heeft met een uittreksel uit het Centraal Curatele- en Bewindregister gemotiveerd betwist dat gedaagde onder bewind stond, hetgeen gedaagde niet heeft weersproken. Ook is aannemelijk dat de aanmaningen zijn verzonden naar het juiste adres, waardoor gedaagde geacht wordt deze te hebben ontvangen.

De kantonrechter wijst de verweren af en veroordeelt gedaagde tot betaling van € 83,30 plus wettelijke rente, administratiekosten en proceskosten van € 388,64. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De moeilijke financiële situatie van gedaagde vormt geen grond voor afwijzing of betalingsregeling zonder toestemming van NS.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van ritprijs, wettelijke verhoging, administratiekosten, rente en proceskosten wegens treinreis zonder geldig vervoersbewijs.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11916157 CV EXPL 25-21381
datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
NS Reizigers B.V.,
vestigingsplaats: Utrecht,
eiseres,
gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
Partijen worden hierna ‘NS’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 september 2025;
  • het antwoord;
  • de repliek, met bijlagen.
1.2.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de repliek, maar van die mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Op 8 maart 2025 heeft [gedaagde] een treinreis gemaakt zonder dat zij in het bezit was van een geldig vervoerbewijs. Omdat zij niet heeft betaald voor de treinreis vordert NS betaling van de ritprijs van € 18,30, de wettelijke verhoging van € 50,- en de
administratiekosten van € 15,-, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] is het daarmee niet eens. De vordering wordt echter toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Treinreis
2.2.
Vaststaat dat [gedaagde] niet beschikte over een geldig vervoerbewijs zoals vereist in artikel 47 Besluit Pro personenvervoer 2000. Het kopen van een verkeerd treinkaartje komt voor risico van de reiziger en ontslaat [gedaagde] niet van de betalingsverplichting. De ritprijs en de wettelijke verhoging zijn dan ook terecht in rekening gebracht.
Bewind?
2.3.
[gedaagde] stelt dat zij ten tijde van de treinreis onder bewind stond. Nog daargelaten dat dat niet zou betekenen dat zij geen treinkaartje hoeft te kopen, heeft NS met een uittreksel uit het Centraal Curatele- en Bewindregister gemotiveerd betwist dat zij toen onder bewind stond. Hierop heeft [gedaagde] niet meer gereageerd. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat het klopt wat NS heeft laten zien.
Administratiekosten
2.4.
[gedaagde] betwist de brieven van NS te hebben ontvangen. NS heeft aan de hand van BRP-uittreksels onderbouwd dat de brieven zijn verzonden naar het adres waar [gedaagde] op dat moment stond ingeschreven ([adres]). Als een brief wordt verzonden naar het juiste adres mag de verzender er in beginsel vanuit gaan dat deze aankomt (art. 3:37 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). Gelet op het aantal brieven dat [gedaagde] niet zou hebben gekregen, had van haar had mogen worden verwacht dat zij meer tekst en uitleg zou geven of zich, bijvoorbeeld, vaker problemen met de postbezorging voordoen. Zij heeft dit niet gedaan. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat zij de aanmaningen heeft ontvangen. Zij is dus te laat met betalen en moet de administratiekosten van € 15,- betalen.
Rente
2.5.
De rente wordt toegewezen, omdat NS genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
Proceskosten
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan NS moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 135,- aan griffierecht, € 86,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 43,-) en € 21,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 388,64. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat NS dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd.
Betalingsregeling
2.8.
De moeilijke financiële situatie van [gedaagde] hoe vervelend ook, vormt geen grond om de vordering af te wijzen. De kantonrechter kan zonder toestemming van NS ook geen betalingsregeling vaststellen in dit vonnis. [gedaagde] kan wel contact opnemen met de gemachtigde van NS om te vragen of NS alsnog een betalingsregeling wil afspreken.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan NS te betalen € 83,30 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 29 augustus 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van NS worden begroot op € 388,64;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
53954