ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6474
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting en toekenning schadevergoeding
De vreemdeling, van Joegoslavische nationaliteit, was in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. Bij eerdere uitspraak was de bewaring als rechtmatig beoordeeld. Nu stond centraal of er nog voldoende zicht op uitzetting bestond en of de bewaring voortgezet kon worden. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om nadere informatie over de mogelijkheid tot uitzetting te verkrijgen.
Verweerder gaf aan dat er sinds juni 1999 geen uitzettingen naar Joegoslavië hadden plaatsgevonden en dat verwijdering slechts mogelijk was indien de vreemdeling meewerkt en over een geldig paspoort beschikt. De gewijzigde situatie en terugkeer van de Nederlandse ambassadeur in Belgrado zouden op korte termijn rechtstreekse verwijderingen mogelijk maken, maar op dat moment was er geen zicht op uitzetting.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf 22 juli 1999 onrechtmatig was wegens het ontbreken van voldoende zicht op uitzetting en heeft de bewaring per 14 september 1999 opgeheven. Tevens werd de vreemdeling een schadevergoeding toegekend van fl. 150 per dag over 54 dagen, totaal fl. 8.100, en werden proceskosten van fl. 1.775 toegewezen. Tegen de beslissing inzake schadevergoeding staat hoger beroep open.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende zicht op uitzetting en de vreemdeling krijgt schadevergoeding toegekend.