ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5704
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding aan Somalische vreemdelingen
De Somalische vreemdelingen A en haar dochter B werden op 20 februari 2000 aangehouden en in bewaring gesteld wegens het gebruik van valse documenten bij binnenkomst in Nederland. Zij dienden asielaanvragen in en werden in bewaring gehouden op grond van artikel 26 Vreemdelingenwet Pro. Na ontvangst van beroepschriften op 22 februari 2000, waarin werd aangevoerd dat de bewaring onrechtmatig was en dat een familielid garant wilde staan voor opvang, heeft de rechtbank vastgesteld dat de belangenafweging door de vreemdelingendienst onvoldoende zorgvuldig was.
De rechtbank overweegt dat de bewaring aanvankelijk gegrond was vanwege verdenking van een strafbaar feit en het ontbreken van identiteitsdocumenten. Echter, na ontvangst van aanvullende stukken, waaronder een garantverklaring van een familielid en een geboorteakte van B, heeft de vreemdelingendienst nagelaten een nieuwe belangenafweging te maken. Dit leidde tot een onrechtmatige voortzetting van de bewaring vanaf 23 februari 2000 tot de opheffing op 28 februari 2000.
De rechtbank kent daarom aan beide vreemdelingen een schadevergoeding toe voor twee maal zes dagen onrechtmatige bewaring, elk bedragend op 1.200 gulden. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. drs. F.G. Hijink op 17 maart 2000 en is openbaar. Tegen het deel van de uitspraak betreffende schadevergoeding staat hoger beroep open.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de bewaring vanaf 23 februari 2000 onrechtmatig was en kent schadevergoeding toe aan de vreemdelingen.