ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6809
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen weigering voorwaardelijke vergunning tot verblijf voor Rwandese asielzoeker
Eiser, een Rwandese asielzoeker behorend tot de bevolkingsgroep der Hutu's, vordert vernietiging van de weigering van de Staatssecretaris van Justitie om hem een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) te verlenen. De rechtbank beoordeelt of eiser gegronde redenen heeft om als vluchteling te worden erkend en of het beleid van verweerder omtrent de vvtv-derdelandenexceptie redelijk is toegepast.
De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Rwanda, mede gelet op de politieke situatie en de betrokkenheid van zijn vader bij de MRND. Wel acht de rechtbank het beleid van verweerder, dat asielzoekers die langer dan twee weken in een derde land verbleven geen vvtv verlenen, onredelijk en niet zorgvuldig afgewogen.
Verder oordeelt de rechtbank dat terugkeer naar Kenia voor eiser niet redelijk kan worden verlangd, gelet op zijn gedwongen vertrek en de bevestiging daarvan in een onafhankelijk rapport. Gezien deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt de weigering van de vvtv, en draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan als de partij die het griffierecht dient te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de weigering van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt vernietigd.