ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6871
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid van staandehouding en bewaring vreemdeling zonder geldige machtiging tot binnentreden
De vreemdeling, van Albanese nationaliteit, werd op 10 mei 2000 aangehouden en in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. Hij voerde aan dat zijn staandehouding en inbewaringstelling onrechtmatig waren vanwege een niet-ondertekende en onvolledige machtiging tot binnentreden, en dat hij niet onverwijld was voorgeleid aan een officier van justitie.
De rechtbank stelde vast dat de machtiging tot binnentreden niet voldeed aan de vereisten van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi), omdat deze niet was ondertekend en niet vermeldde aan wie de machtiging was gegeven. Ondanks deze onbevoegde binnentreding oordeelde de rechtbank dat het huisrecht van de vreemdeling niet was geschonden, aangezien het huisrecht van de bewoner werd beschermd en de vreemdeling slechts in de woning verbleef.
Verder werd geoordeeld dat de opsporingsambtenaar aan zijn zorgplicht had voldaan door de vreemdeling binnen redelijke tijd voor te leiden aan de officier van justitie. De rechtbank concludeerde dat de bewaring rechtmatig was en dat het beroep ongegrond was. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.