ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7095
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning wegens kennelijke ongegrondheid en ontbreken humanitaire gronden
Eiser, een Iraanse nationaliteit bezittende vreemdeling, verzocht om toelating als vluchteling en om een verblijfsvergunning. Zijn aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. Eiser stelde dat hij vreesde voor vervolging in Iran vanwege een conflict dat leidde tot een gewelddadige confrontatie met een voormalige vriend, die hij verwondde.
De rechtbank overwoog dat de situatie in Iran niet zodanig was dat vreemdelingen uit dat land zonder meer als vluchteling konden worden aangemerkt. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij persoonlijk gegronde vrees had voor vervolging op vluchtelingenrechtelijke gronden. Zijn strafzaak betrof een communaal delict zonder aanwijzingen voor discriminatoire of onevenredige bestraffing.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het betalen van bloedgeld in het Iraanse rechtssysteem geen onmenselijke behandeling vormt zoals bedoeld in artikel 3 EVRM Pro. Het beroep op humanitaire verblijfsgronden werd niet onderbouwd en verweerder had geen aanleiding om nader onderzoek te verrichten in Iran. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.