ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8843
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag vluchtelingenstatus wegens kennelijke ongegrondheid en weigering verblijfsvergunning
Eiser, afkomstig uit Ethiopië en behorend tot de Tigre-bevolkingsgroep, vroeg in september 1998 asiel aan in Nederland na afronding van zijn studie. Hij stelde dat hij vanwege zijn deelname aan het referendum over de onafhankelijkheid van Eritrea en zijn militaire opleiding in 1991 vervolging door Ethiopische autoriteiten vreest. Verweerder wees de aanvraag om vluchtelingenstatus af wegens kennelijke ongegrondheid en weigerde tevens een verblijfsvergunning.
De rechtbank overwoog dat de algemene situatie in Ethiopië destijds niet zodanig was dat Eritrese afkomst automatisch tot vluchtelingenstatus leidt. Hoewel het grensconflict met Eritrea in 1998 de situatie verslechterde, kon eiser niet aannemelijk maken dat hij persoonlijk vervolging of deportatie naar Eritrea zou ontlopen. De rechtbank nam het standpunt over dat Eritrea een welwillende opvang biedt aan gedeporteerde personen, waaronder geregistreerde deelnemers aan het referendum, en dat eiser in het bezit is van een identiteitskaart die zijn registratie bevestigt.
Verder oordeelde de rechtbank dat geen sprake was van een reëel risico op foltering of onmenselijke behandeling bij terugkeer, noch van klemmende humanitaire redenen om verblijf in Nederland toe te staan. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd ingetrokken. Ook werd geoordeeld dat het ontbreken van een hoorzitting gerechtvaardigd was omdat uitzetting niet werd opgeschort. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit van verweerder gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.