ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9257
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking voorwaardelijke vergunning tot verblijf
Verzoeker, een Iraakse vreemdeling en lid van de Koerdische bevolkingsgroep afkomstig uit Noord-Irak, had een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) ontvangen. Deze vergunning werd ingetrokken door verweerder omdat de beletselen voor uitzetting naar Noord-Irak waren opgeheven. Verzoeker stelde dat uitzetting in strijd was met artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn huwelijk met een Nederlandse vrouw en hun kind.
De president van de rechtbank oordeelde dat artikel 8 EVRM Pro in deze procedure geen rol speelt omdat de vvtv een categoriaal karakter heeft en individuele omstandigheden niet mogen worden meegewogen bij de intrekking. Toetsing aan artikel 8 EVRM Pro vindt pas plaats bij het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van een aanvraag om een verblijfsvergunning bij de Nederlandse echtgenote.
De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de vvtv terecht was en dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had. Het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te verbieden werd daarom afgewezen. Tevens werd het bezwaar met toepassing van artikel 33b van de Vreemdelingenwet ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de vvtv wordt afgewezen en het bezwaar wordt ongegrond verklaard.