ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0084
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering verlenging vergunning tot verblijf wegens termijnoverschrijding en strafrechtelijke veroordelingen
Eiser, van Somalische nationaliteit, had een vergunning tot verblijf die geldig was tot 14 april 1998. Hij verzuimde tijdig een aanvraag tot verlenging in te dienen, ondanks dat hij tot oktober 1998 in Nederland in detentie verbleef. De rechtbank oordeelt dat deze detentie geen verschoonbare reden is voor de termijnoverschrijding, omdat eiser vanuit detentie contact had kunnen opnemen met de vreemdelingendienst.
Verweerder had het beleid dat aanvragen tot verlenging niet worden afgewezen bij een termijnoverschrijding van maximaal zes maanden, tenzij sprake is van overmacht. Eiser kon echter niet aannemelijk maken dat hij zich binnen deze termijn had gemeld. Daarnaast werd zijn aanvraag beoordeeld als een eerste toelating, waarbij geweigerd werd vanwege meerdere strafrechtelijke veroordelingen, waaronder een gevangenisstraf wegens bedreiging.
De rechtbank stelt vast dat de brief van 31 januari 2000 van verweerder aan de Tweede Kamer geen beleidswijziging inhield, maar slechts een voornemen tot wijziging. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar werd deels niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen de weigering van verlenging werd ongegrond verklaard. Er zijn geen bijzondere humanitaire omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigen.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geweigerd de vergunning te verlengen en verklaart het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de weigering van verlenging van de verblijfsvergunning wegens niet-tijdige aanvraag en strafrechtelijke veroordelingen.