ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1125
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing vluchtelingenstatus wegens vermeende vervolging homoseksualiteit in Iran
Eiser, een Iraanse homoseksuele man, verzocht om toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning in Nederland. Verweerder wees deze aanvragen af wegens kennelijke ongegrondheid. Eiser voerde aan dat hij in Iran vervolgd zou worden vanwege zijn seksuele geaardheid, onderbouwd met incidenten uit de periode 1990-1998.
De rechtbank onderzocht de situatie in Iran aan de hand van ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, rapporten van de UNHCR en Amnesty International. Hieruit bleek dat er geen actief vervolgingsbeleid tegen homoseksuelen bestond, hoewel homoseksualiteit strafbaar is en incidenteel in combinatie met andere strafbare feiten wordt genoemd. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging had.
De rechtbank vond dat de incidenten die eiser aanvoerde niet structureel waren en dat sommige incidenten geen verband hielden met zijn seksuele geaardheid. Ook achtte de rechtbank de verklaring over zijn ontsnapping in 1998 ongeloofwaardig. Verder was het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer een reëel risico liep op foltering of onmenselijke behandeling.
Hoewel de rechtbank het beroep gegrond verklaarde wegens onterecht afzien van het horen van eiser, handhaafde zij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het door eiser betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.