ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0920
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking voorwaardelijke vergunning tot verblijf Bosnische asielzoeker
Eiser, een Bosnisch Kroaat afkomstig uit het kanton Zenica, diende in 1995 een aanvraag in voor toelating als vluchteling en een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv). Deze vvtv werd in 1998 ingetrokken door verweerder, met als reden dat eiser voor zijn komst naar Nederland meer dan twee jaar in een zogenoemd meerderheidsgebied (Capljina) had verbleven, waardoor een binnenlands vestigingsalternatief bestond.
Eiser betoogde dat de situatie in Capljina onveilig was en dat hij gehuwd was met een Nederlandse vrouw, waardoor intrekking van de vvtv in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro (recht op gezinsleven). Verweerder stelde aanvankelijk dat er sprake was van inmenging in de zin van artikel 8 EVRM Pro, maar kwam hierop terug en handhaafde het standpunt dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro pas aan de orde is nadat alle andere verblijfsopties zijn uitgeput.
De rechtbank oordeelde dat eiser terecht een binnenlands vestigingsalternatief was tegengeworpen en dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro in deze procedure niet aan de orde was omdat de aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning nog niet was afgerond. Daarom was er geen sprake van een onrechtmatige inmenging in het gezinsleven en werd het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank wees ook op eerdere jurisprudentie waarin het vvtv-beleid ten aanzien van Bosnische asielzoekers werd bevestigd en benadrukte dat een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro pas kan plaatsvinden nadat alle andere verblijfsrechten zijn beoordeeld. De uitspraak werd gedaan door rechter F. Sijens en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt ongegrond verklaard.