ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0920

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/997
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMTweede Kamer 1996-1997, 19637, nr. 258
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen intrekking voorwaardelijke vergunning tot verblijf Bosnische asielzoeker

Eiser, een Bosnisch Kroaat afkomstig uit het kanton Zenica, diende in 1995 een aanvraag in voor toelating als vluchteling en een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv). Deze vvtv werd in 1998 ingetrokken door verweerder, met als reden dat eiser voor zijn komst naar Nederland meer dan twee jaar in een zogenoemd meerderheidsgebied (Capljina) had verbleven, waardoor een binnenlands vestigingsalternatief bestond.

Eiser betoogde dat de situatie in Capljina onveilig was en dat hij gehuwd was met een Nederlandse vrouw, waardoor intrekking van de vvtv in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro (recht op gezinsleven). Verweerder stelde aanvankelijk dat er sprake was van inmenging in de zin van artikel 8 EVRM Pro, maar kwam hierop terug en handhaafde het standpunt dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro pas aan de orde is nadat alle andere verblijfsopties zijn uitgeput.

De rechtbank oordeelde dat eiser terecht een binnenlands vestigingsalternatief was tegengeworpen en dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro in deze procedure niet aan de orde was omdat de aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning nog niet was afgerond. Daarom was er geen sprake van een onrechtmatige inmenging in het gezinsleven en werd het beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank wees ook op eerdere jurisprudentie waarin het vvtv-beleid ten aanzien van Bosnische asielzoekers werd bevestigd en benadrukte dat een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro pas kan plaatsvinden nadat alle andere verblijfsrechten zijn beoordeeld. De uitspraak werd gedaan door rechter F. Sijens en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
Zittingsplaats Assen
Vreemdelingenkamer
regnr.: Awb 00/997 VRWET Z V
UITSPRAAK
inzake: A,
geboren op [...] 1974,
verblijvende te B,
van Bosnische nationaliteit,
IND dossiernummer 9512.13.20.36,
eiser,
gemachtigde: mr. B. Werink, advocaat te Groningen;
tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
verweerder,
gemachtigde: mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage.
1 PROCESVERLOOP
1.1 Op 13 december 1995 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikking van 16 augustus 1996 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd.
1.2 Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard. Een tegen deze beschikking door eiser ingediend beroepschrift is door eiser op 4 juni 1998 ingetrokken, onder mededeling dat eiser
genoegen nam met de hem ingaande 13 december 1995 verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf (hierna: vvtv).
1.3 Bij besluit van 5 oktober 1998 heeft verweerder de vvtv ingetrokken. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking. Bij het bestreden besluit van 24 december 1999 heeft verweerder dit bezwaarschrift (kennelijk) ongegrond
verklaard.
1.4 Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
1.5 De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 7 september 2000. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
2 OVERWEGINGEN
2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.
2.2 De rechtbank gaat daarbij uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
Eiser is Bosnisch Kroaat. Eiser is oorspronkelijk afkomstig uit de plaats Kakanje in het kanton Zenica. Hij heeft vanaf 1993 gediend bij het Bosnisch Kroatische leger (hierna: het HVO-leger). Toen zijn woonplaats Kakanje in handen
van de moslims viel, is hij gevlucht naar Vares, eveneens gelegen in het kanton Zenica. Aldaar heeft eiser zich weer bij het HVO-leger aangemeld. Nadat ook Vares was gevallen is eiser in oktober 1993 naar de plaats Capljina, in het
kanton Neretva, gevlucht, waar hij tot zijn vertrek naar Nederland is gebleven.
Op basis van eisers asielrelaas heeft verweerder bij besluit van 16 augustus 1996 eisers aanvragen om toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf afgewezen, doch eiser ingaande 13 december 1995 in aanmerking gebracht
voor een vvtv.
Eiser is op 29 augustus 1998 gehuwd met C, die over de Nederlandse nationaliteit beschikt.
Bij besluit van 5 oktober 1998 heeft verweerder de vvtv van eiser ingetrokken. Onder verwijzing naar verweerders brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 25 maart 1998, waarin categorieën asielzoekers zijn vermeld van wie de
vvtv wordt ingetrokken, heeft verweerder daarbij overwogen dat eiser behoort tot de categorie personen die voor hun komst naar Nederland enige tijd hebben verbleven in een zogenoemd meerderheidsgebied. Verweerder bedoelde daarmee de
plaats Capljina, waar eiser meer dan twee jaar voor zijn komst naar Nederland heeft verbleven en waar overwegend Bosnische Kroaten woonachtig zijn.
In bezwaar en beroep heeft eiser daar tegen ingebracht dat dit laatste juist moge zijn, doch dat de situatie in Capljina allerminst rustig is. Er is sprake van spanningen met teruggekeerde moslims, die tot geweldadigheden en zelfs
bomaanslagen hebben geleid. Bovendien is deze plaats overvol, zodat er helemaal geen mogelijkheid bestaat om terugkerende Kroaten op te vangen.
Meer in het bijzonder heeft eiser gewezen op het feit dat hij gehuwd is met een Nederlandse vrouw met zich meebrengt dat verweerder door de vvtv van eiser in te trekken in strijd handelt met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor
de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Zowel eiser als zijn echtgenote hebben werk, zij het niet in vaste dienstbetrekking.
Eiser heeft op 3 november 1998 bij de korpschef van de regiopolitie Drenthe een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij echtgenote aangevraagd.
Deze aanvraag is afgewezen, ondermeer vanwege het niet voldoen aan het middelenvereiste. Tegen het besluit van de korpschef van 19 oktober 1999 heeft eiser bezwaar gemaakt. Er is nog niet door verweerder op dit bezwaarschrift
beslist.
In het onderhavige beroep, gericht tegen verweerders intrekking van de vvtv, heeft verweerder bij verweerschrift (voor het eerst) aangegeven dat met de intrekking van de vvtv van eiser sprake was van inmenging in de zin van artikel
8 EVRM. Voorts is overwogen dat voor deze inmenging een rechtvaardigingsgrond als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM Pro bestaat.
Ter zitting is de gemachtigde van verweerder evenwel op dit in het verweerschrift verwoorde standpunt teruggekomen. Aangesloten is wederom bij het bestreden besluit, waarin door verweerder geen inmenging in de zin van artikel 8 EVRM Pro
werd aangenomen. In dit verband is ter zitting door de gemachtigde van verweerder betoogd dat in het kader van een vvtv-procedure niet op individuele omstandigheden kan worden ingegaan en dat, nu i.c. de vtv-procedure nog niet is
afgerond in het kader van die vtv-procedure beoordeeld dient te worden of het weigeren van die status bedoelde inmenging met zich meebrengt. Ook al zou er (nog) geen vtv-procedure lopen, aldus verweerders gemachtigde ter zitting,
dan zou de betrokkene een dergelijke vergunning moeten aanvragen, teneinde in die procedure getoetst te krijgen of sprake is van bedoelde inmenging.
De gemachtigde van eiser heeft in de schriftelijke fase van het beroep en ter zitting een ander standpunt terzake ingenomen. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank van 11 maart 1999 (JV
1999/88) heeft hij betoogd dat ook met een vvtv "familylife" in de zin van artikel 8 EVRM Pro kan worden opgebouwd en de intrekking van deze vergunning dan ook, los van een eventuele vtv-procedure en de uitkomst daarvan, inmenging in de
zin van artikel 8 EVRM Pro kan betekenen.
2.3 De rechtbank oordeelt als volgt.
2.4 In de onderhavige procedure is uitsluitend aan de orde de vraag of de intrekking van de aan eiser bij besluit van 16 augustus 1996 verleende vvtv in rechte stand kan houden.
2.5 De rechtbank overweegt dienaangaande allereerst dat verweerders beleidswijziging, vervat in de brief van 27 mei 1997 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Tweede Kamer 1996-1997, 19637, nr. 258) en op grond waarvan aan
asielzoekers uit Bosnië die op of na 1 juni 1997 hun aanvragen hebben ingediend niet langer vvtv's worden verleend, door deze rechtbank reeds meermalen niet onredelijk is geacht.
De rechtbank (zittingsplaats Zwolle) heeft ook geoordeeld (in uitspraken van 8 augustus 1997) dat verweerder ten aanzien van Bosnische asielzoekers, afkomstig uit een minderheidsgebied, vanaf deze datum niet gehouden is een
vvtv-beleid te voeren. Weliswaar geldt voor eiser dat hij behoort tot de categorie Bosnische asielzoekers die zijn aanvraag heeft ingediend in de periode van 1 december 1995 tot 1 juni 1997, doch eiser heeft voor zijn komst naar
Nederland meer dan twee jaar in een meerderheidsgebied verbleven, zodat verweerder hem terecht, overeenkomstig Werkinstructies 178 en 184, een binnenlands vestigingsalternatief kon tegenwerpen.
2.6 Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of verweerder zich rekenschap had moeten geven van eisers in Nederland (reeds ten tijde van het primaire besluit) bestaande gezinsleven en een belangenafweging als bedoeld in artikel 8
EVRM had moeten maken. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van gezinsleven in de zin van dit artikel.
De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
2.7 De rechtbank dient allereerst te beoordelen hoe verweerders verschil in standpunt, zoals vervat in het verweerschrift en zoals weergegeven ter zitting door verweerders gemachtigde, moet worden geduid. De rechtbank is na ampel
beraad tot de conclusie gekomen dat verweerders gemachtigde ter zitting in wezen het reeds bij het bestreden besluit ingenomen standpunt (nogmaals) heeft verdedigd, hetgeen niet vreemd of ongeoorloofd is, aangezien dit het besluit
is dat aan de rechter ter beoordeling is voorgelegd. Niet valt in te zien hoe verweerder gebonden zou kunnen worden aan een bij verweerschrift ingenomen standpunt dat afwijkt van een bij bestreden besluit ingenomen standpunt, anders
dan op grond van beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel. Van de kant van eiser is daar evenwel geen beroep op gedaan en ook overigens is de rechtbank niet gebleken van schending van het vertrouwensbeginsel
of een ander beginsel van behoorlijk bestuur.
2.8 Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of met verweerders intrekking van eisers vvtv een inmenging in de zin van artikel 8 EVRM Pro heeft plaatsgevonden.
Bij een bevestigende beantwoording van die vraag, dient vervolgens beoordeeld te worden of voor deze inmenging een rechtvaardigingsgrond bestond, waarbij een belangenafweging dient te worden gemaakt tussen de belangen van het
individu en die van de gemeenschap als geheel.
In artikel 8 EVRM Pro is, voorzover hier van belang, bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven ("familylife"). Ingevolge het tweede lid van de bepaling is geen inmenging van enig openbaar gezag in de
uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de
openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
In haar uitspraak van 11 maart 1999 (JV, 1999,88) heeft de rechtseenheidskamer (REK) overwogen dat artikel 8 EVRM Pro ingevolge vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) op zich geen recht
geeft op een verblijfstitel.
Toetsing aan artikel 8 EVRM Pro hoeft volgens de REK voorts pas plaats te vinden, nadat alle overige aanspraken op een verblijfstitel zijn beoordeeld en ongegrond zijn bevonden. Nu dat in het geval van eiser (nog) niet het geval is, is
toetsing aan artikel 8 EVRM Pro in de onderhavige procedure, waar het gaat om de intrekking van de vvtv, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet aan de orde. Overigens moet met verweerder geoordeeld worden dat, zo al sprake zou
zijn van een ongerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8 EVRM Pro, zulks niet kan leiden tot verlenging van een (categoriaal bedoelde) vvtv.
Toetsing aan artikel 8 EVRM Pro als vorenbedoeld dient, naar het oordeel van de
rechtbank dan ook, door verweerder plaatst te vinden in het kader van de
bezwaarprocedure met betrekking tot de weigering van de vergunning tot verblijf. Omdat thans derhalve (nog) geen sprake is van een schending van artikel 8 EVRM Pro, dient eisers grief terzake te worden verworpen.
2.9 Het beroep is derhalve ongegrond.
2.10 Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.
3 BESLISSING
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens en in het openbaar uitgesproken
op 10 januari 2001 in tegenwoordigheid van mr. H.W. Wind als griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden: