ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1911
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verblijfsvergunning alleenstaande minderjarige vreemdeling
Verzoeker, van Chinese nationaliteit, vroeg om toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling (vbt amv). Na aankomst in Nederland in december 1999 werd een leeftijdsonderzoek uitgevoerd waaruit bleek dat verzoeker bij binnenkomst meerderjarig was. Dit werd door verzoeker onvoldoende betwist.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees de aanvraag af, onder meer vanwege het ontbreken van geloofwaardige reis- en identiteitsdocumenten en het ontbreken van gegronde vrees voor vervolging in China. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De rechtbank oordeelde dat de schorsingsregeling van de oude Vreemdelingenwet van toepassing blijft op besluiten die voor 1 april 2001 zijn genomen, maar dat de kortsluitbepaling van artikel 33b Vw niet meer geldt na die datum. De president van de rechtbank toetste of er een redelijke kans bestond op verlening van een verblijfsvergunning, maar concludeerde dat verzoeker geen redelijke kans had vanwege het leeftijdsonderzoek.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 25 april 2001 en is niet vatbaar voor beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker meerderjarig is verklaard en geen redelijke kans heeft op verlening van een verblijfsvergunning.