ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5913

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 augustus 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/109 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WAOArt. 87e WAOArt. 1:3 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:77 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen grondslag voor rechtsoordeel over gevolgen toekenning arbeidsongeschiktheidsuitkering

Eiseres, voormalig werkgever, betwistte niet de mate van arbeidsongeschiktheid (80-100%) van de ex-werknemer zoals vastgesteld in het besluit krachtens artikel 18 WAO Pro. Zij verzocht de rechtbank vast te stellen dat de gevolgen van dit besluit, met name de premieverplichtingen, niet aan haar toegerekend kunnen worden vanwege de beweerde oorzaak van de arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank oordeelde dat artikel 18 WAO Pro uitsluitend ziet op de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en niet op de oorzaak daarvan of de gevolgen voor de premieverplichtingen van de werkgever. De beroepsgronden van eiseres gingen daarmee buiten de wettelijke grondslag van het bestreden besluit en waren niet ontvankelijk.

De rechtbank wees erop dat eiseres haar bezwaren tegen premiebeschikkingen te zijner tijd kan voorleggen, maar dat deze niet via een beroep tegen het artikel 18-besluit kunnen worden behandeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan een partij toegewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat artikel 18 WAO geen grondslag biedt voor een oordeel over premieverplichtingen.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
sector bestuursrecht
eerste kamer, enkelvoudig
Reg. nr. AWB 00/109 WAO
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
A te B, , eiseres,
en
het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 1 juni 1999 heeft verweerder aan C. een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 30 juni 1999, aangevuld bij brief van 8 september 1999, een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord omtrent haar bezwaren door verweerder.
Bij besluit van 26 november 1999, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 5 januari 2000, ingekomen bij de rechtbank op 6 januari 2000 en van gronden voorzien bij brief van 7 februari 2000, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 13 juni 2000 een verweerschrift ingediend.
Namens C. is op 5 juli 2000 een zienswijze ingediend.
Het beroep is op 6 augustus 2001 ter zitting aan de orde gesteld.
Partijen noch derde-belanghebbende C. zijn ter zitting verschenen, allen met bericht.
Motivering
Het bestreden besluit strekt tot handhaving van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling krachtens artikel 18 van Pro de WAO van C. Eiseres heeft expliciet gesteld de uitkomst van deze beoordeling niet te bestrijden.
Eiseres vraagt vastgesteld te zien dat de gevolgen van dit besluit niet aan haar toegerekend kunnen worden vanwege de (beweerdelijke) oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van C.. Artikel 18 van Pro de WAO biedt evenwel geen grondslag voor het geven van een rechtsoordeel door verweerder omtrent de gevolgen van een besluit omtrent toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de te zijner tijd door de
(ex-)werkgever van de verzekerde werknemer verschuldigde premie. Bij het nemen van een besluit krachtens artikel 18 van Pro de WAO wordt slechts vastgesteld of, en in welke mate, een verzekerde werknemer arbeidsongeschikt is, niet waardoor de arbeidsongeschiktheid is ontstaan noch wie daarvoor verantwoordelijk is.
Het verzoek van eiseres, en daarmee haar beroepsgronden, gaan derhalve de wettelijke grondslag van het bestreden besluit en daarmee de grenzen van het geschil, zoals die voortvloeien uit de artikelen 1:3, eerste lid, en 8:69, eerste lid, van de Awb, te buiten.
De beroepsgronden kunnen daarom, wat er inhoudelijk ook van zij, niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.
Het beroep is gezien het vorenstaande ongegrond.
Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.
Ten overvloede wijst de rechtbank eiseres erop dat zij haar beroepsgronden te zijner tijd naar voren kan brengen tegen een besluit omtrent vaststelling van de door haar verschuldigde premie. Aangezien deze geen betrekking hebben op de rechtmatigheid van de aan C.toegekende uitkering staat artikel 87e van de WAO hieraan niet in de weg.
Beslissing
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep ongegrond.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden op: