ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6138
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting op grond van twijfel over afkomst bij vluchtelingenaanvraag
Verzoeker, een Koerd uit Sulaymaniya in Noord-Irak, diende een aanvraag in om als vluchteling te worden toegelaten, welke door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) werd afgewezen op basis van een taalanalyse die concludeerde dat verzoeker uit Iran afkomstig zou zijn. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze beslissing en vroeg de rechtbank om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat het bezwaar was behandeld.
De rechtbank oordeelde dat de deskundigheid van de taalanalist onvoldoende was onderbouwd, omdat verweerder geen informatie gaf over opleiding en ervaring van de analist. Daarnaast was de gebruikte bandopname niet geschikt voor een betrouwbare taalanalyse, en verweerder had niet voldoende zorg gedragen om een betere opname te verkrijgen. Verzoeker kon niet worden verweten geen contra-expertise te hebben laten verrichten.
Gezien deze tekortkomingen concludeerde de rechtbank dat de beslissing van verweerder onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en dat er redelijke twijfel bestond over de afkomst van verzoeker. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waarbij verweerder werd verboden om uitzetting of voorbereidingen daartoe te treffen gedurende vier weken na de beslissing op bezwaar.
Verder werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht aan verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt toegewezen wegens onvoldoende zorgvuldigheid en twijfel over afkomst.