ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6836
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting afgewezen Libische asielzoeker wegens risico op mensenrechtenschendingen
Verzoeker, een Libische nationaliteit, had eerder asielaanvragen in Nederland ingediend die waren afgewezen. Na een nieuwe aanvraag tot verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, werd deze opnieuw afgewezen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Verzoeker stelde dat de situatie in Libië was gewijzigd, waarbij afgewezen asielzoekers routinematig worden gedetineerd, ondervraagd en aan ernstige mensenrechtenschendingen, waaronder marteling, worden blootgesteld.
De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormen in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank kon rekening houden met stukken zoals een brief van Amnesty International en een document van het Britse Home Office, die het risico op ernstige mensenrechtenschendingen bevestigen. Het door verweerder genoemde Bafl-rapport werd niet overgelegd en kon daarom niet worden meegewogen.
Voorts achtte de rechtbank aannemelijk dat het Verenigd Koninkrijk sinds mei 2001 een vergelijkbaar categoriaal beschermingsbeleid voert, waarbij het risico van marteling een rol speelt. De enkele verwijzing naar een ouder, mogelijk achterhaald rapport was onvoldoende om het ontbreken van een dergelijk beleid in Nederland te rechtvaardigen.
De rechtbank besloot daarom de voorlopige voorziening toe te wijzen, waardoor verzoeker de uitzetting mag afwachten totdat het beroep in de hoofdzaak is beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor verzoeker de uitzetting mag afwachten totdat het beroep in de hoofdzaak is beslist.