ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7091
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.P.W. Helmonds
- J.E. van den Steenhoven-Drion
- W.P.M. Elderman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kennelijk onredelijk driejarenbeleid bij verblijfsvergunning vreemdeling
Eiser, een Iraakse Koerd, diende in 1997 een asielaanvraag in. Zijn verzoek om een verblijfsvergunning werd door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) afgewezen, onder meer omdat hij niet voldeed aan de criteria voor vluchtelingenstatus en omdat hij geen drie jaar relevant tijdsverloop had opgebouwd volgens het driejarenbeleid. Dit beleid houdt in dat de periode van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht niet meetelt voor het opbouwen van het vereiste verblijf.
De rechtbank oordeelt dat dit onderdeel van het driejarenbeleid kennelijk onredelijk is. De ratio van het beleid is dat vreemdelingen niet onnodig lang in onzekerheid over hun verblijfsstatus mogen verkeren. Het achterwege laten van de periode waarvoor een vergunning met terugwerkende kracht is verleend, doet afbreuk aan deze ratio. De rechtbank vernietigt daarom het deel van de beschikking dat de verblijfsvergunning regulier ambtshalve weigert op grond van het driejarenbeleid.
Verder oordeelt de rechtbank dat eiser geen vluchtelingenstatus kan krijgen omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging door de Iraakse autoriteiten of de PUK. Ook is niet gebleken dat hij een reëel risico loopt op foltering of onmenselijke behandeling bij uitzetting. Het beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning asiel wordt daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank wijst de Staat aan als rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten aan eiser dient te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor het deel over het driejarenbeleid en vernietigt dat gedeelte van de beschikking; het overige beroep wordt ongegrond verklaard.