ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7281
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Weigering ontruiming huurwoning na beëindiging samenlevingsovereenkomst
Eiseres en gedaagde hadden een relatie en sloten in mei 1999 een samenlevingsovereenkomst. Gedaagde trok met haar minderjarige kinderen in bij eiseres en samen woonden zij in een huurwoning waarvan het huurcontract op beider naam stond. Medio oktober 2001 zegde gedaagde de samenlevingsovereenkomst op.
Eiseres vorderde in kort geding dat gedaagde de huurwoning zou verlaten, met machtiging tot ontruiming met politieondersteuning indien nodig. Gedaagde voerde verweer en stelde belang te hebben bij voortgezet gebruik van de woning vanwege de schoolgaande kinderen.
Tijdens de zitting bleek dat partijen in onderling overleg overeen waren gekomen dat eiseres in de woning zou blijven en gedaagde met haar kinderen zou vertrekken. De woningbouwvereniging was niet bereid gedaagde een urgentieverklaring te geven zonder rechterlijk vonnis. Omdat partijen het eens waren over de kern van het geschil, ontbrak een materieel rechtsgeschil en werd de vordering geweigerd.
De rechtbank bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt, mede gezien de eerdere relatie tussen partijen. De procedure was niet bedoeld enkel voor het verkrijgen van een urgentieverklaring, waardoor het formele verweer van gedaagde werd gepasseerd.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de huurwoning wordt geweigerd omdat partijen het eens zijn over wie in de woning blijft wonen.