ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7599
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken tot voorlopige voorziening en toelating als vluchteling wegens dienstweigering uit Joegoslavië
Verzoekers, afkomstig uit de Federatieve Republiek Joegoslavië, vroegen toelating als vluchteling aan in Nederland nadat zij geen gehoor hadden gegeven aan een oproep voor militaire dienst vanwege hun weigering deel te nemen aan de Kosovo-oorlog. De Staatssecretaris van Justitie wees hun aanvragen af, waarna zij bezwaar maakten en tevens een voorlopige voorziening verzochten om uitzetting te voorkomen.
De rechtbank overwoog dat het toetsingsmoment voor de beoordeling van de aanvraag niet het moment van indiening is, maar de feiten en omstandigheden ten tijde van de beslissing. Het beleid van de overheid was gewijzigd door een amnestiewet die op 3 maart 2001 in werking trad, waardoor dienstweigeraars en deserteurs uit Joegoslavië geen vervolging meer hoeven te vrezen. Dit werd bevestigd door een ambtsbericht van juli 2001.
De rechtbank stelde vast dat verzoekers geen vluchtelingenstatus konden krijgen omdat zij geen gegronde vrees voor vervolging hadden. Ook de aangevoerde discriminatie wegens hun moslim-zijn was onvoldoende om vluchtelingenstatus te rechtvaardigen. Daarnaast was niet aannemelijk dat terugkeer naar Joegoslavië een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren. De verzoeken tot voorlopige voorziening werden afgewezen en de bezwaren ongegrond verklaard.
De uitspraak werd gedaan door de president van de rechtbank, mr. E. Dijt, op 1 oktober 2001. Er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: De verzoeken tot voorlopige voorziening worden afgewezen en de bezwaren tegen de afwijzing van toelating als vluchteling worden ongegrond verklaard.