ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8266
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting Centraal-Irakezen zonder verblijfsalternatief in Noord-Irak
Verzoekers, Arabieren afkomstig uit Baghdad in Centraal-Irak zonder familie-, gemeenschaps- of politieke banden met Noord-Irak, vroegen om een verblijfsvergunning. Verweerder stelde sinds november 1998 dat Centraal-Irakezen een binnenlands vestigingsalternatief in Noord-Irak hebben, ongeacht banden. Dit beleid werd bevestigd in een brief van 1 juni 2001.
Volgens vaste jurisprudentie vóór deze brief was dit beleid onredelijk voor personen zonder banden, die in principe aanspraak hadden op een verblijfsvergunning zonder beperkingen. Verzoekers maakten bezwaar tegen de afwijzing van hun aanvragen en vroegen om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De rechtbank oordeelde dat niet buiten twijfel stond dat het nieuwe beleid aan verzoekers kon worden tegengeworpen en dat zij op grond van het eerdere beleid aanspraak hadden op een verblijfsvergunning. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, de uitzetting werd verboden totdat het bezwaar was beslist, en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verbiedt de uitzetting van verzoekers totdat het bezwaar is beslist en wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe.