ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8406
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen onmiddellijke uitzetting vreemdeling
Verzoeker, van Joegoslavische nationaliteit, diende in 1997 aanvragen in voor vluchtelingenstatus en verblijfvergunning, welke werden afgewezen. Na bezwaar en beroep werd op 28 december 2000 beroep ingesteld tegen de afwijzing. Verzoeker vroeg op 10 september 2001 een voorlopige voorziening om uitzetting uit te stellen.
De rechtbank beoordeelde het spoedeisend belang, gelet op de mededeling van verweerder dat verzoeker onmiddellijk uitzetbaar is. Verweerder beriep zich op een recente uitspraak van de Raad van State, maar de president achtte deze niet als bestendige jurisprudentie en verwierp dit verweer. Het begrip spoedeisend belang werd gelijkgesteld aan onverwijlde spoed zoals in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker een redelijke kans van slagen heeft, mede omdat hij niet tijdig is gehoord en de beslissing om hem geen verblijf te verlenen pas na die van zijn ouders viel. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom toegewezen, waardoor verzoeker in Nederland mag blijven totdat op het beroep is beslist.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan verzoeker vergoed. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor verzoeker zijn uitzetting mag afwachten totdat op het beroep is beslist.