ECLI:NL:RVS:2001:AE0473
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H. Troostwijk
- H.W. Groeneweg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens hoger beroep verblijfsvergunning
De zaak betreft een verzoek van een vreemdeling die een voorlopige voorziening vraagt om te voorkomen dat hij wordt uitgezet tijdens de behandeling van zijn hoger beroep tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De Staatssecretaris van Justitie had de aanvraag van verzoeker op 4 mei 2001 afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond bij uitspraak van 6 september 2001. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Voorzitter overwoog dat het instellen van hoger beroep geen schorsende werking heeft en dat de enkele omstandigheid dat de uitspraak van de rechtbank voor uitvoering vatbaar is, geen spoedeisend belang oplevert zoals vereist in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Omdat verzoeker niet heeft gesteld wanneer zijn uitzetting zou plaatsvinden, was het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 9 november 2001 in het openbaar gedaan door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens hoger beroep wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.