ECLI:NL:RBSGR:2001:AD9298
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering vreemdeling zonder rechtmatig verblijf
Verzoeker, een vreemdeling van Turkse nationaliteit, vroeg bijstand aan na beëindiging van zijn WW-uitkering. De Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag wees de aanvraag af omdat verzoeker geen rechtmatig verblijf in Nederland had zoals vereist in de Algemene bijstandswet (Abw).
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg vervolgens een voorlopige voorziening bij de rechtbank. Hij voerde aan dat hij rechtmatig in Nederland verbleef in afwachting van een beslissing op zijn verblijfsaanvraag en dat weigering van bijstand disproportioneel was. Tevens beriep hij zich op artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en artikel 11 van Pro het Europees Verdrag inzake Sociale en Medische Bijstand (EVSMB).
De rechtbank oordeelde dat verzoeker geen rechtmatig verblijf had conform de Vreemdelingenwet 2000 en dat hij daarom niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander voor de bijstand. De rechtbank volgde de eerdere jurisprudentie dat de Koppelingswet een gerechtvaardigd onderscheid maakt tussen vreemdelingen met en zonder rechtmatig verblijf. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Er werden geen proceskosten toegekend aan een van de partijen. De uitspraak werd gedaan door de fungerend president van de rechtbank 's-Gravenhage op 6 augustus 2001.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van rechtmatig verblijf.