ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0224
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Eisses
- G.P. Kleijn
- drs. J.J.P. Bosman
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek om schadevergoeding na beëindiging vreemdelingenbewaring
De vreemdeling, met Marokkaanse dan wel Spaanse nationaliteit, verzocht ruim vier maanden na beëindiging van zijn vreemdelingenbewaring om schadevergoeding. De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 een verzoek om schadevergoeding slechts kan worden ingediend gelijktijdig met het beroep tegen de bewaring of uiterlijk tijdens de zitting over die bewaring.
De rechtbank stelde vast dat de regeling uit eerdere jurisprudentie, waarbij een termijn van vier weken werd gehanteerd voor het indienen van een schadevergoedingsverzoek na opheffing van de bewaring, niet in de wet is opgenomen. Hierdoor is artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafrecht, dat een termijn van drie maanden kent, niet van toepassing.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek van de vreemdeling, dat pas ruim vier maanden na beëindiging van de bewaring werd ingediend en niet in combinatie met een beroep tegen de bewaring, niet-ontvankelijk is. De gemachtigde werd gewezen op de mogelijkheid om een zuiver schadebesluit te vragen bij de Staatssecretaris van Justitie, waartegen bezwaar en beroep mogelijk zijn.
De rechtbank wees het beroep af wegens niet-ontvankelijkheid en constateerde dat geen gronden bestonden om de proceskosten aan een van de partijen toe te wijzen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige en niet gekoppelde indiening aan het beroep tegen de bewaring.