ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1976
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring
Eiseres was in oktober 1998 in vreemdelingenbewaring gesteld, welke bewaring op 14 oktober 1998 werd opgeheven. Na afwijzing van haar verzoek om schadevergoeding door verweerder en een ongegrondverklaring van haar bezwaar, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank. De rechtbank achtte zich bevoegd om over het verzoek te oordelen, mede omdat zij ook bevoegd is de rechtmatigheid van het schadeveroorzakende besluit te toetsen.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de onrechtmatigheid van de inbewaringstelling feitelijk erkende door het intrekken van een eerder besluit. Verweerder had onvoldoende gemotiveerd waarom de bewaring was opgeheven en had niet aannemelijk gemaakt dat eiseres uitzetbaar was. De formele rechtskracht van het besluit tot inbewaringstelling werd doorbroken vanwege bijzondere omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een onrechtmatige daad had gepleegd en in beginsel gehouden was tot schadevergoeding. De gevorderde vergoeding van EUR 476,46 (f 1050,-) voor immateriële schade overschreed de jurisprudentiële richtlijnen niet en werd toegekend, inclusief wettelijke rente vanaf de dag van vrijlating. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van EUR 805.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en stelde dat hoger beroep alleen openstaat tegen de hoogte van de schadevergoeding bij het Gerechtshof 's-Gravenhage.
Uitkomst: De rechtbank kent eiseres een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring en vernietigt het bestreden besluit.