ECLI:NL:RBSGR:2002:AE2021
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling wegens te late kennisgeving
Eiser, een vreemdeling van Iraanse nationaliteit, werd op 13 november 2001 onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eerdere beroepen tegen deze maatregel werden ongegrond verklaard of niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank. De kern van het geschil betrof de vraag welke uitspraak bepalend is voor de aanvang van de termijn van vier weken waarbinnen de kennisgeving van het voortduren van de vrijheidsontneming door de Staatssecretaris dient te worden gedaan.
De rechtbank overwoog dat de kennisgeving van 30 januari 2002 te laat was, omdat de termijn moet worden gerekend vanaf de uitspraak van 20 december 2001, waarop geen materiële toetsing van de maatregel plaatsvond. Hierdoor was de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig vanaf 18 januari 2002. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval opheffing van de maatregel per 7 februari 2002 en kende eiser een vergoeding toe van € 900,-- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de Staat der Nederlanden tot betaling van de proceskosten van eiser, begroot op € 322,--. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een termijn van één week.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding toegekend.