ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6180
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- I.L. Haverkate
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie en toekenning schadevergoeding
De vreemdeling, na het uitzitten van een gevangenisstraf van dertig maanden, werd op 6 maart 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld, welke inging op 8 maart 2002. De rechtbank beoordeelde dat deze maatregel niet voorlopige bewaring betrof en dat de wettelijke vereisten voor inbewaringstelling waren nageleefd.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat de bewaring onrechtmatig was omdat verweerder onvoldoende voortvarend had gewerkt aan de uitzetting van de vreemdeling, terwijl de datum van ontslag uit detentie al bekend was. Dit leidde tot een disproportionele inbreuk op de rechten van de vreemdeling.
De rechtbank kende daarom een schadevergoeding toe voor de periode van 8 tot en met 14 maart 2002, berekend volgens richtlijnen voor immateriële schadevergoeding bij inverzekeringstelling. Tevens werden proceskosten toegewezen aan de vreemdeling.
De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige uitvoering van vreemdelingenbewaring en het respecteren van wettelijke termijnen en rechten, met name na strafrechtelijke detentie.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring was onrechtmatig wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting en de vreemdeling kreeg schadevergoeding en proceskosten toegewezen.