ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6297
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.J. van Brussel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vrijheidsontnemende maatregel voor vreemdelingen met kinderen
Op 6 maart 2002 werd aan vreemdelingen met vier minderjarige kinderen de toegang tot Nederland geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het Aanmeldcentrum Schiphol. Na afwijzing van hun asielaanvragen op 9 maart 2002 werd de maatregel voortgezet, waarna zij op 13 maart werden overgebracht naar het Grenshospitium.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom na afronding van de asielprocedure niet kon worden volstaan met een minder ingrijpende vrijheidsbeperkende maatregel, zoals voorgeschreven in de Vreemdelingencirculaire en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De belangen van de kinderen waren onvoldoende meegewogen, terwijl detentie van kinderen slechts als uiterste en kortst mogelijke maatregel is toegestaan.
De rechtbank oordeelde dat het verblijf in het Aanmeldcentrum Schiphol langer dan vier dagen na afronding van de procedure onrechtmatig was vanwege gebrek aan privacy, beperkte bewegingsvrijheid en onvoldoende dagbesteding. Verweerder had ervoor moeten zorgen dat vreemdelingen en hun kinderen uiterlijk op 10 maart 2002 het centrum verlieten.
De vrijheidsontnemende maatregel werd per 19 maart 2002 opgeheven. Daarnaast kende de rechtbank aan elke vreemdeling een schadevergoeding toe van €410 voor het onrechtmatig verblijf in het Aanmeldcentrum en het Grenshospitium, en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven en aan elke vreemdeling een schadevergoeding van €410 toegekend.