ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7279
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid vreemdelingenbewaring wegens categoriewijziging en rechtsbijstand afgewezen
Eiseres, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf en verdachte van het gebruik van een vals paspoort, werd op 22 mei 2002 aangehouden en op 23 mei 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Zij stelde dat zij asiel wilde aanvragen en dat de categoriewijziging van de bewaring niet was doorgevoerd, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn. Tevens stelde zij dat haar recht op rechtsbijstand was geschonden.
De rechtbank overwoog dat hoewel het wenselijk is dat een categoriewijziging met voortvarendheid wordt doorgevoerd, het uitblijven daarvan niet direct leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. De bewaring wordt pas onrechtmatig wanneer de termijn van vier of zes weken, zoals bedoeld in artikel 59, vierde lid Vw 2000, wordt overschreden vanaf het moment van aanvraag. De rechtbank stelde vast dat de aanvraag dateert van 24 mei 2002, waardoor de termijn op 21 juni of 5 juli 2002 zou eindigen. De bewaring was op het moment van uitspraak nog niet onrechtmatig.
Ten aanzien van het recht op rechtsbijstand oordeelde de rechtbank dat eiseres bij het gehoor had aangegeven geen advocaat te wensen, en dat de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp tijdig was geïnformeerd. Er was geen aanleiding om te concluderen dat het recht op rechtsbijstand was geschonden.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring in overeenstemming was met de wettelijke vereisten en gerechtvaardigd was gezien het ontbreken van rechtmatig verblijf, het gepleegde misdrijf en het risico op ontduiking van uitzetting. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.