ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7882
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsvergunning en voorwaardelijke vergunning voor Iraakse asielzoekers uit Centraal-Irak
Eisers, afkomstig uit Centraal-Irak, hebben een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf, welke door verweerder zijn geweigerd. De rechtbank toetst de rechtmatigheid van deze besluiten aan de Vreemdelingenwet 2000 en relevante beleidsregels.
De rechtbank oordeelt dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij gegronde vrees hebben voor vervolging door de Iraakse autoriteiten, mede omdat de radiocontacten legaal waren en de vrees voor de Mukhabarat niet concreet is gemaakt. Ook is geen sprake van klemmende humanitaire redenen die toelating rechtvaardigen.
Ten aanzien van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) overweegt de rechtbank dat het beleid van verweerder om Iraakse asielzoekers geen vvtv te verlenen, niet kennelijk onredelijk is. Hoewel een vertrekmoratorium is ingesteld vanwege problemen met terugkeer naar Noord-Irak, acht de rechtbank het passend om de tijdelijke complicaties in de toegankelijkheid van het verblijfsalternatief niet direct tot wijziging van het beleid te leiden.
De rechtbank heropent het onderzoek en geeft verweerder de gelegenheid tot uiterlijk 23 oktober 2002 een nader standpunt in te nemen, waarna de zaak op 14 november 2002 zal worden behandeld. Het beroep wordt vooralsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de weigering van een verblijfsvergunning en vvtv wordt ongegrond verklaard, het onderzoek wordt heropend en een nader standpunt van verweerder wordt afgewacht.