ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9267
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken gegronde vrees voor vervolging
Eiseres, een vrouw van Mongoolse nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland na een reeks persoonlijke incidenten in Mongolië, waaronder een vrijspraak van dood door schuld, mishandelingen door de zoon van een overleden patiënte en haar uiteindelijke vlucht uit Mongolië. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees haar aanvraag voor een verblijfsvergunning af omdat zij geen gegronde vrees voor vervolging kon aantonen.
De rechtbank behandelde het beroep versneld en oordeelde dat de vertraging in de procedure door het wachten op een Mongoolse tolk niet als procesuren kon worden aangemerkt, omdat de rechtshulpverlener onvoldoende inspanningen had verricht om tijdig een tolk te regelen. Dit leidde tot een overschrijding van de wettelijke termijn van 48 uur.
Inhoudelijk stelde de rechtbank vast dat eiseres geen risico loopt op vervolging door de autoriteiten in Mongolië en dat de problemen die zij ondervond met burgers, waaronder discriminatie en mishandeling, niet zodanig zijn dat zij aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Ook was het mogelijk voor haar om bescherming te zoeken bij de autoriteiten of zich elders in Mongolië te vestigen.
De rechtbank concludeerde dat eiseres geen verblijfsvergunning kan ontlenen aan de relevante bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien om de kosten aan de wederpartij toe te wijzen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres op een verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de termijnoverschrijding door het wachten op een tolk wordt niet als procesuren aangemerkt.