ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1222

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
17 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/12130
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:2 AwbArt. 7:11 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking vergunning verblijf alleenstaande minderjarige asielzoeker in strijd met artikel 8 EVRM

Eiseres, een minderjarige asielzoeker uit Somalië, kreeg een vergunning tot verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker (ama-vtv). Deze vergunning werd ingetrokken omdat haar ouders in Nederland verbleven, waardoor zij niet langer voor het ama-beleid in aanmerking zou komen. De rechtbank oordeelt dat dit besluit in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, omdat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden en de hoorplicht heeft geschonden.

Eiseres stelde dat zij met haar broers in Nederland een gezinsverband vormde, wat onder het begrip 'family life' valt. De rechtbank vindt dat het besluit onvoldoende rekening houdt met dit gezinsleven en dat het niet zonder meer aannemelijk is dat het gezinsleven met de ouders voorrang heeft boven dat met de broers. Tevens bleek dat NIDOS nog steeds de voogdij over eiseres heeft.

Het beroep is daarom gegrond voor zover het bezwaar tegen de intrekking van de vergunning betreft, en het besluit wordt vernietigd. Voor wat betreft de aanvraag van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) wordt het beroep ongegrond verklaard, omdat verweerder zich op redelijke gronden op het standpunt kan stellen dat een verblijfsalternatief in Somalië bestaat.

De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de vergunning tot verblijf wordt vernietigd wegens schending van artikel 8 EVRM en onvoldoende onderzoek.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
Nevenzittingsplaats Arnhem
Vreemdelingenkamer
Registratienummer: Awb 01/12130, Datum uitspraak: 17 oktober 2002
Uitspraak ingevolge artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
in de zaak van
A,
geboren op [...] 1991,
van Somalische nationaliteit,
eiseres,
gemachtigde mr. W.L.M. Fleuren,
tegen
DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie),
Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. D.A.C.M. van der Heijden-Jansen,
ambtenaar in dienst van de IND.
Het procesverloop
Op 15 februari 1998 heeft eiseres toelating als vluchteling of verlening van een vergunning tot verblijf aangevraagd. Bij besluit van 9 november 1998 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd. Wel is aan eiseres een vergunning tot verblijf verleend onder de beperking "toegelaten als alleenstaande minderjarige asielzoeker".
Bij besluit van 8 december 2000, bekendgemaakt op 27 december 2000, heeft verweerder de aan eiseres verleende vergunning tot verblijf ingetrokken. Eiseres heeft daartegen op 4 januari 2001 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 26 februari 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Op 22 maart 2001 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.
Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 september 2002. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Post.
De beoordeling
1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van Pro de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. Behoudens eventuele toepassing van artikel 83 van Pro de Vw 2000 zal getoetst worden aan het ten tijde van het besluit geldende recht en beleid.
2. Verweerder heeft de vergunning tot verblijf van eiseres ingetrokken op grond van artikel 12, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet zoals deze gold tot 1 april 2001. Aan deze intrekking ligt ten grondslag dat is gebleken dat de ouders van eiseres in Nederland verblijven. Eiseres komt derhalve niet langer in aanmerking voor het bijzondere beleid ten aanzien van alleenstaande minderjarige asielzoekers. In bezwaar heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.
3. In beroep is namens eiseres aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van Pro het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hiertoe is redengevend dat eiseres met de vergunning tot verblijf in staat werd gesteld om met haar - eveneens in Nederland verblijvende - broers in gezinsverband te leven. Door eiseres verder verblijf hier te lande te ontzeggen, wordt inbreuk gemaakt op dit 'family life'. Verweerder heeft nagelaten één en ander te onderzoeken en heeft voorts eiseres niet gehoord.
4. De rechtbank onderschrijft het standpunt van eiseres en overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 7:11, eerste lid en 7:12, eerste lid van de Awb, omdat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feiten en omstandigheden die van belang zijn om in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM een volledige belangenafweging te maken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres in bezwaar reeds feiten en omstandigheden heeft gesteld die betrekking hebben op haar 'family life' met haar broers. Verweerder heeft nagelaten eiseres in dit verband te horen. Hiermee is de hoorplicht van artikel 7:2 van Pro de Awb geschonden.
5. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de omstandigheid dat eiseres is herenigd met haar ouders niet zonder meer volgt dat dit 'family life' voorrang dient te hebben op het 'family life' met de broers. Hierbij is mede van belang dat ter zitting is gebleken dat de NIDOS nog steeds de voogdij over eiseres heeft.
6. Het beroep is derhalve in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.
7. Aangaande de gestelde aanspraak van eiseres op een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) overweegt de rechtbank als volgt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraken van 14 januari 2002 (nummer 200105382/1) en 31 januari 2002 (nummer 200106209/1) geoordeeld dat geen grond bestaat om te oordelen dat verweerder ten aanzien van minderheidsgroepen niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat terugkeer naar, dan wel verblijf in het noorden van Somalië in verband met de algehele situatie aldaar niet van bijzondere hardheid is. Onder verwijzing naar deze uitspraken van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor leden van de Reer Hamar, de bevolkingsgroep waartoe eiseres behoort, een verblijfsalternatief in het noorden van Somalië bestaat, zodat eiseres niet in aanmerking komt voor een vvtv.
8. Het beroep is derhalve in zoverre ongegrond.
9. Er bestaat aanleiding voor vergoeding van het griffierecht en een proceskostenveroordeling.
De beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover het bezwaar tegen de intrekking van de vergunning tot verblijf onder de beperking verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker ongegrond is verklaard;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van 644,- euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats;
- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiseres 102,10 euro te betalen ter vergoeding van het door haar betaalde griffierecht.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2002 in tegenwoordigheid van mr. J.C.D. Crezée als griffier.
de griffier de rechter
w.g. Crezée ; w.g. Catsburg
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,
nevenzittingsplaats Arnhem,
Verzonden: 17 oktober 2002
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.