ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2538
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewaring vreemdeling in politiecel en voortvarendheid uitzetting
De vreemdeling is op 16 augustus 2002 in aansluiting op zijn strafrechtelijke detentie overgebracht naar het politiebureau te Assen, waar hij in bewaring is gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelt of de overbrenging naar en het verblijf in een politiecel voor vreemdelingenrechtelijke bewaring rechtmatig is, mede gelet op de Penitentiaire Beginselenwet en het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank stelt vast dat de Penitentiaire Beginselenwet een maximale duur van tien dagen verblijf in een politiecel voorschrijft en dat overplaatsing naar een huis van bewaring moet plaatsvinden zodra dit redelijkerwijs mogelijk is. Capacitaire problemen rechtvaardigen het verblijf in de politiecel in deze zaak. Ook is de overbrenging vanuit de strafrechtelijke detentie naar de vreemdelingenbewaring in een politiecel niet in strijd met rechtsregels.
Verder oordeelt de rechtbank dat de maatregel van bewaring op goede gronden is opgelegd. De vreemdeling verblijft rechtmatig in Nederland, maar zijn identiteit is niet vastgesteld en hij heeft geen vaste verblijfplaats. Er bestaat een gegronde vrees dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. De rechtbank vindt dat de overheid voldoende voortvarend is met de uitzettingshandelingen, ondanks eerdere vertragingen door impasses met de Algerijnse autoriteiten.
De rechtbank verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond en bevestigt dat de tenuitvoerlegging van de bewaring niet onrechtmatig is en in overeenstemming met de wettelijke vereisten.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard.