ECLI:NL:RVS:2002:AE6675
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de tenuitvoerlegging van vreemdelingenbewaring in een politiecel en de toepasselijkheid van artikel 5.4 Vreemdelingenbesluit 2000
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage die de bewaring van een vreemdeling had opgeheven omdat hij langer dan tien dagen in een politiecel verbleef zonder overplaatsing naar een huis van bewaring.
De Raad van State overweegt dat artikel 5.4, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bepaalt dat de tenuitvoerlegging van vreemdelingenbewaring in een politiecel slechts toelaatbaar is zolang elders geen plaats beschikbaar is. Zodra een plaats beschikbaar is, moet overplaatsing plaatsvinden. De rechtbank had vastgesteld dat op 10 mei 2002 een plaats beschikbaar was, maar de vreemdeling bleef in de politiecel tot de zitting op 13 mei.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris de vreemdeling had moeten overplaatsen en dat het verblijf in de politiecel nadien niet toelaatbaar was. Echter, de rechtbank had de bewaring onterecht opgeheven; zij had in plaats daarvan de wijze van tenuitvoerlegging moeten wijzigen. Daarom wordt het hoger beroep in zoverre gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze de bewaring opheft.
Verder wordt vastgesteld dat de rechtbank niet voldeed aan het vereiste om bij gegrondverklaring van het beroep de geschonden rechtsregel te vermelden, maar dit leidt niet tot vernietiging van de uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt bevestigd, maar het bevel tot opheffing van de bewaring wordt vernietigd wegens onjuiste gronden.