ECLI:NL:RBSGR:2002:AF3712
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor machtiging voorlopig verblijf in kader verruimde gezinshereniging
Verzoekster, een meerderjarige dochter van een genaturaliseerde Nederlander, heeft verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij haar vader in Nederland. Eerder was een aanvraag afgewezen op formele gronden en vanwege het ontbreken van een onevenredige hardheid bij achterlating in Pakistan. De moeder van verzoekster lijdt aan een terminale ziekte en verzoekster heeft de zorg voor haar moeder en minderjarige broertjes en zusje op zich genomen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de familierechtelijke relatie tussen verzoekster en haar vader inmiddels is aangetoond en erkend. Hoewel verweerder betoogde dat er geen sprake is van een onevenredige hardheid bij achterlating, oordeelt de rechter dat het belang van het gezin in Nederland om verzoekster bij zich te hebben zwaarder weegt dan het belang van handhaving van de toelatingsprocedure.
De rechter baseert zich op artikel 3.24 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 8 EVRM Pro, waarbij wordt vastgesteld dat er sprake is van gezinsleven. De voorlopige voorziening wordt toegewezen, zodat verzoekster wordt behandeld alsof zij in het bezit is van een mvv totdat het bezwaar is beslist. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht vergoed aan verzoekster.
Uitkomst: Verzoekster wordt behandeld alsof zij in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf totdat op het bezwaar is beslist.