ECLI:NL:RBSGR:2002:AF5874
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewaring vreemdeling op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling, afkomstig uit Sri Lanka, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betoogde dat hij niet in bewaring kon worden gesteld omdat hij eerder een vergunning tot verblijf (C-status) had gehad. De rechtbank oordeelde dat zijn aanvraag van 23 maart 1998 als een eerste aanvraag om toelating moet worden gezien, omdat hij na het verlopen van zijn vergunning Nederland had verlaten.
De rechtbank verwierp de interpretatie van de vreemdeling dat de zinsnede "tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad" in artikel 59, tweede lid, hem beschermt tegen bewaring. Uit de wetshistorie bleek dat de bewaring beperkt is tot illegalen en eerste toelaters, en dat de uitzondering niet geldt voor vreemdelingen die Nederland metterwoon hebben verlaten.
Verder werd geoordeeld dat de overbrenging van de vreemdeling naar het politiebureau te Middelburg rechtmatig was op grond van artikel 50, derde lid, Vw2000. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de vrijheidsontneming onrechtmatig was of dat de duur van de overbrenging onaanvaardbaar lang was.
De vreemdeling verbleef ten tijde van de zitting tien dagen in een politiecel, wat nog binnen de toegestane termijn viel. De rechtbank zag geen reden om de bewaring op te heffen, mede omdat de vreemdeling op 17 december 2002 zou worden uitgezet. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel bevestigd.