ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5910
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.G.J. Roelvink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Tsjetsjeense minderheid wegens onvoldoende bewijs van vervolging
Eiser, een lid van de Tsjetsjeense minderheid uit de Russische Federatie, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat hij vanwege discriminatie en vervolging niet kon terugkeren naar Rusland. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk risico liep op vervolging of ernstige discriminatie die normaal maatschappelijk functioneren onmogelijk maakt.
Het asielrelaas werd getoetst aan het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank stelde vast dat eiser geen documenten kon overleggen ter staving van zijn verhaal en dat hij geen concrete aanwijzingen gaf dat hij door de autoriteiten werd gezocht. Ook het argument dat hij geen verblijfsalternatief had binnen Rusland werd verworpen, omdat Moskou als veilig alternatief werd beschouwd.
Hoewel verweerder in het bestreden besluit aanvankelijk geen overwegingen wijdde aan het verblijfsalternatief binnen Rusland, werd dit later in het verweerschrift toegelicht. De rechtbank vond dit onzorgvuldig maar niet vernietigend, omdat het besluit inhoudelijk goed gemotiveerd was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel werd ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van persoonlijke vervolging of onhoudbare discriminatie.