ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6496
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep wegens onterecht onthouden categoriale bescherming Afghaanse asielzoeker
Eiser, een Afghaanse asielzoeker, diende op 30 juni 1999 een aanvraag in voor toelating als vluchteling. Verweerder wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser verbleef kort in Pakistan, waarna verweerder de derdelandenexceptie toepaste en categoriale bescherming onthield. De rechtbank toetste het besluit ex tunc, rekening houdend met nieuwe feiten en omstandigheden na het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht twijfelde aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas vanwege het ontbreken van documenten, maar dat het relaas inhoudelijk onvoldoende aanleiding gaf voor vluchtelingenstatus. De rechtbank stelde vast dat de situatie in Afghanistan zodanig was gewijzigd dat geen gegronde vrees voor vervolging bestond. Wel was het feitelijk onjuist dat eiser zonder problemen naar Pakistan kon terugkeren, wat voor rekening van verweerder kwam.
Gezien deze onjuiste toepassing van de derdelandenexceptie en het feit dat eiser daardoor in een nadeliger positie was gebracht dan indien categoriale bescherming was verleend, maakte de rechtbank een uitzondering op het uitgangspunt dat beroep op categoriale bescherming ongegrond is na afschaffing van het beleid. Het beroep werd daarom gegrond verklaard voor het onthouden van categoriale bescherming en ongegrond voor de overige gronden.
De rechtbank beval verweerder een nieuw besluit te nemen, verbood uitzetting van eiser tot vier weken na herbeslissing en veroordeelde verweerder in de proceskosten van 644 euro en griffierecht van 22,69 euro. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard voor het onterecht onthouden van categoriale bescherming en verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen.