ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8275
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing weigering verblijfsvergunning wegens onvoldoende vrees voor vervolging Taliban
Eiser, van Afghaanse nationaliteit en behorend tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard en een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv). Hij stelde gegronde vrees te hebben voor vervolging door de Taliban, mede vanwege de arrestatie van zijn vader en broer, en zijn verblijf in Pakistan waar hij ondergedoken leefde.
Verweerder wees de aanvraag af op basis van onvoldoende bewijs van persoonlijke vervolgingsgevaar, het feit dat eiser twee jaar in Pakistan verbleef zonder problemen, en het beëindigen van het categoriale beschermingsbeleid voor Afghanen. Verweerder motiveerde zijn beslissing onder meer met ambtsberichten en kabinetsbesluiten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zich redelijk op het standpunt kon stellen dat eiser geen gegronde vrees had voor vervolging, mede omdat het Talibanregime was verdreven. Echter, verweerder had de oorspronkelijke motivering niet gehandhaafd en gaf geen verklaring waarom in deze zaak geen rekening werd gehouden met het ambtsbericht van 15 februari 2002, anders dan in vergelijkbare gevallen.
De rechtbank stelde vast dat de weigering van de vvtv gebrekkig gemotiveerd was en vernietigde de beschikking. Verweerder werd opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak en de relevante feiten en omstandigheden, waaronder de vraag of wijziging van het categoriale beschermingsbeleid onder nieuwe feiten valt.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de weigering van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf wegens gebrekkige motivering en draagt verweerder op opnieuw te beslissen.